Op zondag 27 januari 2008, heeft burgemeester Cohen een toespraak gehouden ter nagedachtenis van allen die zijn omgekomen in Auschwitz tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hier vindt u de gehele toespraak.
Dames en heren,
Ook dit jaar zijn wij weer bijeen ter nagedachtenis van allen die zijn omgekomen in Auschwitz tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Hoewel de tijd die ons scheidt van de gebeurtenissen toen, almaar toeneemt, is het leed dat de overlevenden en hun nabestaanden is aangedaan nog altijd groot; de littekens blijven.
De Hongaarse schrijver en nobelprijswinnaar Imre Kertész, die zelf een tijd in Auschwitz heeft gezeten maar daarna is overgebracht naar het kamp Buchenwald dat hij ternauwernood heeft overleefd, schrijft in zijn Dagboek van een galeislaaf :
“Ik moet altijd en overal alleen maar denken aan Auschwitz. Zelfs als ik ogenschijnlijk over iets anders praat, heb ik het over Auschwitz. Ik ben een medium van de geest van Auschwitz, Auschwitz spreekt via mij. Daarmee vergeleken vind ik alles nonsens. En echt niet alleen om persoonlijke redenen. Auschwitz en alles wat ermee te maken heeft (maar wat heeft er niet mee te maken?), [Auschwitz] is het grootste Europese trauma sinds de kruisiging, ook al duurt het misschien nog eeuwen en eeuwen tot men zich daarvan bewust wordt. En als dat niet gebeurt, maakt het sowieso niets meer uit.”
Auschwitz staat voor het ultieme kwaad dat mensen elkaar kunnen aandoen: de ontmenselijking van de ander, de systematische vernietiging van een groep op basis van ras, geloof en geaardheid, waarvan in de Tweede Wereldoorlog voornamelijk de Joodse bevolking het slachtoffer werd, maar daarnaast ook de Roma, homoseksuelen, geestelijk gehandicapten, Jehova’s Getuigen, Poolse politieke gevangenen en Russische krijgsgevangenen – eigenlijk iedereen die niet tot het Arische ras behoorde volgens de definitie van de nazi’s.
Imre Kertész beschrijft hoe hij van de ene op de andere dag werd ingedeeld in een groep mensen van wie het daarvóór nooit bij hem was opgekomen dat hij tot hun groep zou behoren, de joden. En hij beschrijft hoe hem in toenemende mate allerlei rechten werden ontnomen, tot in laatste instantie het recht om te leven.
Wij leven nu in een andere tijd, maar angst en wantrouwen jegens de ander zijn sindsdien niet zo groot geweest. Angst en wantrouwen brengen mensen ertoe zich terug te trekken in de eigen groep, met uitsluiting van anderen. Als die uitsluiting maar ver genoeg gaat, ontstaat een ontmenselijkt beeld van de ander, verdwijnt de zorg voor de ander uit het blikveld. En waar dat in uiterste instantie toe kan leiden is precies wat ons vandaag bijeenbrengt.
Auschwitz willen wij nooit meer. Nooit meer Auschwitz betekent: een alledaagse moraal waarin de zorg voor de ander uitdrukkelijk een rol speelt en waarin solidariteit zich niet beperkt tot de eigen groep. Nooit meer Auschwitz betekent: zorg dat mensen niet van hun menselijkheid ontdaan kunnen worden.
Wij allemaal, wie we ook zijn en wat we ook zijn, of je al lang in Nederland bent of maar kort, wij allemaal mogen daarom niet onverschillig staan tegenover uitingen van haat jegens mensen die anders zijn, die een andere religie aanhangen, die niet tot dezelfde groep behoren. Het concentratiekamp is juist de ultieme consequentie van alledaagse onverschilligheid, een onverschillige opstelling ten aanzien van gedrag dat tegengesteld is aan een algemene, alledaagse moraal met zorg voor de ander. Aan de horizon van onverschilligheid ligt het concentratiekamp, zei de Frans-Bulgaarse schrijver Tzvetan Todorov.
Waakzaamheid blijft daarom geboden; met de bevrijding van Auschwitz kwam er geen einde aan het systematisch uitmoorden van minderheden. Alle brandhaarden van de afgelopen decennia laten dat zien: Cambodja, Joegoslavië, Rwanda.
Heeft Imre Kertész gelijk als hij zegt dat Auschwitz en Siberië het menselijk bewustzijn nauwelijks hebben beroerd, dat er ethisch gezien niets veranderd? Dat alle ervaringen zijn tevergeefs zijn? Dat zou een verschrikkelijke conclusie zijn.
Maar, Imre Kertész zegt ook:
“houd nu eindelijk eens op (...) te zeggen dat Auschwitz niet verklaard kan worden, dat Auschwitz het product is van irrationele, met het verstand niet te vatten krachten, want voor het kwaad is altijd wel een rationele verklaring te geven. (…) Wat werkelijk irrationeel en onverklaarbaar is, is niet het kwaad, maar daarentegen het goede.”
En Kertész wijst erop dat er zelfs in concentratiekampen, zelfs in Auschwitz mensen waren die anderen hielpen, die zelfs in het kamp vasthielden aan de alledaagse moraal, de zorg voor de ander, en die daarmee de ontmenselijking tegengingen.
“God is Auschwitz,” schrijft Imre Kertész, “God is Auschwitz, maar hij is ook degene die mij Auschwitz uit leidde. En hij is degene die mij verplicht, ja zelfs dwingt te verantwoorden wat mij is overkomen, omdat hij horen en weten wil wat hij heeft gedaan.”