Henri Polaklezing 2009

Henri Polaklezing, Burgemeester Cohen, voorgedragen op 14 mei 2009

Kruimelpad

 

Henri Polaklezing 2009

Door Burgemeester Cohen voorgedragen op 14 mei 2009

15 mei 2009
 - 
Iris Reshef

Dames en heren,

Hoe ontworstelden mensen zich honderd jaar geleden aan een maatschappelijke achterstandspositie? En hoe gaat dat nu? Het is een thema dat al ruim honderd jaar op de politieke agenda staat. Hoe zou Henri Polak, die aan de basis van die agenda staat, het gevonden hebben, als hij had geweten dat wij in zijn geboortestad en ver daarbuiten anno 2009 ons nog altijd bezighouden met die problematiek? Zou hij het verschrikkelijk hebben gevonden, dat de samenleving anno 2009 nog altijd veel, te veel mensen kent die buiten de boot vallen? Of zou hij juist trots geweest zijn, omdat we nu gemiddeld zo’n 8 uur per dag werken, we het normaal vinden om met vakantie te kunnen en dan gewoon worden doorbetaald? Dat dat ook geldt wanneer we ziek zijn of arbeidsongeschikt raken? En dat er instanties zijn die actief de veiligheid van onze werkplek in de gaten houden? Zo kan ik nog wel even doorgaan. Allemaal resultaten waar Henri Polak van droomde en waar hij voor streed.

Het wonderlijke van zo’n relativerend besef is: het helpt maar eventjes. En dat is maar goed ook. Wij zijn kinderen van onze tijd, wij hebben nu onze verantwoordelijkheid. En er zijn weinig onderwerpen waarbij we zo worstelen met de manier om invulling te geven aan die verantwoordelijkheid, als bij het bestaan en tegengaan van sociaal–economische achterstanden.

Belangrijke sleutels om sociaal economische achterstanden op te heffen, zijn, – en ik sluit me daarbij aan bij een lange rij van economen en sociologen – onderwijs en werk. Drie typen actoren spelen daarbij een rol - toen en nu:

1.   De overheid. Mensen kunnen door middel van dwang of door middel van verleiding, uit achterstanden gehaald worden door de overheid. Top- down zogezegd.

2.   Georganiseerde groepen burgers: bijv. vakbonden.

3.   Individuen op eigen houtje, eventueel met behulp van de kring van familie en vrienden.

Ik zal eerst nagaan op welke manier deze drie actoren een rol speelden in de tijd van Polak. Vervolgens zal ik bezien welke rol nu is weggelegd voor overheid, vakbonden en individuen om deze problematiek te tackelen.

Russell Shorto, Amerikaans historicus, schreef onlangs een artikel in de New York Times, waarin hij de Nederlandse verzorgingsstaat vergelijkt met het Amerikaanse systeem. Shorto woont en werkt sinds anderhalf jaar in Amsterdam. Hij beschrijft zijn politieke positie als ‘ links van het midden’; ik interpreteer dat als iemand die onder meer de premisse dat grote sociaal-economische ongelijkheid onwenselijk is, onderschrijft. Toch vindt hij – zo schrijft hij -het moeilijk te verkroppen dat hij in Nederland automatisch in de 52% schijf van de inkomstenbelasting zit. Voor Amerikaanse begrippen zijn dergelijke tarieven haast marxistisch. Shorto beschrijft hoe hij er achter komt dat de zaken in Nederland toch wat genuanceerder zijn en dat verzorgingsstaat en socialistische heilstaat niet noodzakelijk met elkaar samenvallen. Amerikanen kunnen, is zijn conclusie, nog wel wat leren van die rare Nederlanders.

Maar het omgekeerde komt ook voor: Nederlanders die op het gebied van sociale zekerheid en achterstandenbeleid pleiten voor een Amerikaanse aanpak. Zo hield de in New York wonende Heleen Mees, lid van de PvdA, onlangs een pleidooi in het Parool voor het verlagen van het minimumloon. Het lage minimumloon heeft in de Verenigde Staten – aldus Mees – het effect dat de werkloosheid onder laagopgeleiden fors lager is dan hier. Is dat ook een recept voor ons? Ik kom daar nog op terug. Eerst maar eens in vogelvlucht bekijken welke weg wij in Nederland in honderd jaar hebben afgelegd als het gaat om het omgaan met sociaal-economische achterstanden.

Amsterdam rond 1900. Loop in gedachten met mij mee, hier verderop over de Blauwbrug, richting het Jonas Daniël Meijerplein. Waar nu links de Stopera staat was honderd jaar geleden de Amsterdamse Jodenbuurt, een van de armste buurten van Amsterdam. Op zondag was daar markt, met bonte taferelen. In het boek “Herinneringen aan Joods Amsterdam” tekenden Salvador Bloemgarten en Philo Bregstein verhalen op van mensen die daar toen opgroeiden. Ik geef een paar korte citaten. Ene Barend de Hond vertelt:. “En dan kwam je bij Tip Top (de bioscoop in de Jodenbreestr) aan en daar begon de markt. Daar had je Tijpie met eieren. ‘Vier voor een dubbeltje,’ riep ze. (..) En dan had je Schele Ko, dat was een man die verkocht horloges en al die flauwe kul, maar nep, laat ik het zo maar zeggen. Maar hij verdiende wel z’n brood. Dan had je Hollander, (..) kiespijnwatjes had hij te koop. Je had de ‘hoogwerker’. Dat was wat Meijer Linnewiel, alias Kokadorus deed. Die nam een stalletje, schragen met een plank en daar ging hij bovenop staan. En dan vertelde hij de gekste verhalen. Daar kon je van de een naar de ander blauw liggen van het lachen. (..) Dat waren allemaal semi-artiesten”.

Er werd wat afgelachen op de markt. Maar als we verder lopen, dan vergaat het lachen ons snel. De Amsterdamse Jodenbuurt kent dichtopeengepakte krotten en kelderwoningen. Een gezin met acht kinderen op een kamer is geen uitzondering. Amsterdam is, onder invloed van de industrialisering, een koortsachtig groeiende stad. Er worden voor het eerst sinds lange tijd nieuwe wijken gebouwd, onder meer de Pijp. Maar dat voorkomt niet dat de Joodse buurt en de Jordaan overvol worden, vooral met arbeiders en armoedzaaiers.

Als je in de Joodse buurt wordt geboren is lagere school het hoogst haalbare onderwijs. Dat is trouwens al heel wat, want de generatie daarvoor bestaat goeddeels uit analfabeten.

In zijn biografie vertelt Monne de Miranda hoe hij als elfjarige jongen vrolijk met zijn boeken onder zijn arm naar huis liep: de zomervakantie was begonnen. De meester had hem een mooi leesboek meegegeven, want de kleine Monne was leergierig. Thuisgekomen vertelde zijn vader dat er een baas voor hem gevonden was. Monne huilde van ontzetting maar het mocht niet baten. De volgende morgen om zes uur moest hij op de fabriek beginnen.

Tot 1917 mogen de mannen uit deze buurt niet stemmen, vrouwen moeten daar nog twee jaar langer op wachten. Kiesrecht is voorbehouden aan mannen boven een bepaalde welstandsgrens.

Als je in die tijd bij “Het Vak” zit weet iedereen waar het over gaat. Diamantbewerker is een eervol beroep. Niet dat het makkelijk werk is. Het zijn nare fabrieken, het lawaai is oorverdovend en het is er stikbenauwd. De diamantindustrie is bovendien conjunctuurgevoelig. Als diamantbewerker sta je zo weer op straat. Veel diamantbewerkers gaan daarom in moeilijke tijden bijvoorbeeld met de handkar op pad. Sjouwer, zoals dat genoemd werd, is zware arbeid want de Amsterdamse politie let goed op dat mensen met een handkar niet stilstaan. Blijven lopen moet je.

Je kunt als je van school komt ook de textielhandel in, of de sigarenmakerij. Verder zijn er veel havenarbeiders, metselaars, smeden, spoorwegarbeiders en timmerlieden. Meisjes kunnen ook de fabriek in, of worden huishoudster of naaister. Maar onder alle beroepen is de werkloosheid hoog. En de onvrede broeit.

De lange en complexe aanloop naar de opkomst van de arbeidersbeweging (Verlichting, industrialisatie, bevolkingsgroei, verstedelijking) laat ik hier buiten beschouwing. Eén gebeurtenis wil ik er uitlichten: de parlementaire enquête naar de toestand van de arbeidsklasse, de Arbeidsenquête van 1887. De enquetecommissie stuitte op veel verzet van werkgevers. Ook de Amsterdamse Kamer van Koophandel had geen zin in een kijkje in de keuken. En arbeiders waren bang voor repercussies. Maar men zette door, en de woordelijke verslagen van de enquetecommissie geven een ontluisterend inkijkje in de arbeidsomstandigheden van die tijd. Een werkneemster van de Amsterdamse waskaarsenfabriek vertelde, dat zij die week 36 uur achter elkaar moest werken om een bestelling af te maken. Zij verdiende net genoeg om haar kinderen een paar dagen eten te geven. Een arts vertelde over de consequenties voor jongens van twaalf die in de glasblazerij werken: de kinderen zien er zwak uit, hun botten groeien krom door het vele staan. Kinderen die in de aardewerkfabriek werken gaan vroeg dood aan longaandoeningen: de ‘pottemennekersziekte’. Ongelukken en bedrijfsongevallen komen zeer veel voor. In de meeste gevallen wordt geen cent uitbetaald bij ziekte of ouderdom. Arbeiders werken door tot ze lichamelijk ‘op’ zijn. En dat is vaak al met 50 jaar. De Arbeidsenquête betekende een morele overwinning voor de arbeidersbeweging. Eindelijk moesten ‘de hoge heren in Den Haag’ erkennen dat er sprake was van structurele uitbuiting en erbarmelijke omstandigheden voor laaggeschoolde arbeiders.

Hoe zat dat met emancipatie op individueel niveau? Ik noemde al even Monne de Miranda, dat hartverscheurend huilendje jongetje dat op zijn elfde de grote smerige fabriek in werd gestuurd. Maar uiteindelijk schopte hij het, zoals bekend, tot wethouder.

Het boek ‘Voorbij de Blauwbrug’ van Joosje Lakmaker beschrijft de levenswandel van haar grootvader, Leman Lakmaker. Een prachtig voorbeeld van een “opstrever” zoals hij zichzelf noemde. Hij groeide op in de joodse wijk, in een gezin met dertien kinderen, op twee kamers zonder wc en keuken. Leman verloor één oog aan de toen veel voorkomende oogziekte trachoom en kon daarom niet bij de diamantbewerkers in de leer na de lagere school. Hij kwam bij de sigarenmakers terecht en werkte zo’n tien tot twaalf uur per dag. Het leven was min of meer uitgetekend. Een citaat. “Misschien gebeurde het tijdens een toespraak van Henri Polak op een openbare bijeenkomst, of naar aanleiding van een artikel in een van de vele linkse krantjes die hij in de hand gedrukt kreeg. (..)Hoe dan ook, op een gegeven moment werd Leman zich ervan bewust hoe scheef de wereld in elkaar zat. (..) Hij begon te beseffen dat het bestaan zoals hij dat kende niet van hogerhand was gegeven, geen onafwendbaar lot waarbij je je moest neerleggen.” De socialistische jeugdbeweging, de Zaaier, onder leiding van Henriëtte Roland Holst, bracht hem in contact met literatuur. Hij leerde zichzelf Duits, Engels en Frans en zocht ook zijn werk in de leesbevordering. Hij werd redactie-assistent bij de Wereldbibliotheek. Later werd hij directeur van de SDAP-uitgeverij Ontwikkeling, een voorloper van de Arbeiderspers. Op eigen kracht, dankzij zijn tomeloze ondernemingslust wist Leman te ontsnappen aan de armoede en uitzichtloosheid. Zijn verhaal is natuurlijk niet uniek. Aan de hand van Lemans ontwikkeling wordt het pijlsnelle emancipatieproces van veel arbeiders tastbaar. De wind waaide de juiste kant op in die tijd, maar dat betekende zeker niet dat je je kon laten meevoeren. Er was nog altijd geen enkel vangnet, en er waren veel tegenkrachten.

De rol van vakbonden bij het emancipatieproces is groot. Aan het einde van de 19e en het begin van de 20ste eeuw schieten ze als paddenstoelen uit de grond.

Nadat Henri Polak heeft geproefd van het succes dat een staking teweeg kan brengen richt hij de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB) op. Zijn vakbond is ongekend succesvol en hijzelf wordt op handen gedragen. Zoals je als diamantbewerker in die tijd bij ‘Het Vak’ zat, zo was je vanzelfsprekend ook lid van ‘De Bond’. De ANDB is na een jaar al de grootste en modernste bond van Nederland, met 8000 leden. De contributie is hoog, maar daarvan wordt een bibliotheek en een weekblad betaald, waarin de hoofdartikelen van Polak gretig gelezen worden. Daarin probeert Polak arbeiders cultureel en intellectueel te ‘verheffen’ door ze kennis te laten maken met literatuur, muziek en poëzie. Maar er wordt vooral veel gestreden. Voor de achturige werkdag bijvoorbeeld, die in 1911 voor de diamantindustrie wordt ingevoerd, waarmee de ANDP een wereldprimeur heeft. En voor vakantie. De diamantindustrie ligt de eerste week van augustus 1910 plat. Niet vanwege een staking maar omdat de diamantbewerkers, als eersten in Nederland, een week vakantie hebben. Onbetaald wel te verstaan.

Het is een roerige tijd, met vakbonden in de hoofdrol. Zij winnen het vertrouwen van de arbeiders en zetten stappen die het leven van velen ingrijpend verbeteren, soms zelfs het verschil van leven en dood uitmaken.

En wat is de rol van de overheid in deze tijd?

Armenzorg is de taak van particuliere organisaties, vooral van diaconieën. Eventueel wil de stad nog wat bijspringen. Maar vooral ‘gezonde armen’ zijn op zichzelf aangewezen. In 1871 wordt de vereniging Liefdadigheid naar vermogen opgericht. Deze vereniging groeit in korte tijd – aldus historicus Piet de Rooy (in Werklozenzorg en Werkloosheidsbestrijding)- tot een van de belangrijkste van Amsterdam. De vereniging wil de ‘luiheid’ van armen bestrijden, niet door financiële ondersteuning te geven, maar door te stimuleren werk te zoeken.

Maar het populaire idee dat armenzorg een kwestie van karakterverbetering is, wordt uitgedaagd door een nieuwe ideologie: de idee dat individuen zich pas kunnen verheffen na grootscheepse sociaal-economische veranderingen. Dat is de ideologie van de arbeidersbeweging. Die beweging wil zich losmaken van bevoogdend paternalisme èn de zuinigheid van de armenzorg.

De arbeidersbeweging vindt voor zijn ideeën geen weerklank bij confessionelen en liberalen. De christelijke regering onder leiding van Abraham Kuiper is notoir tegen en neemt naar aanleiding van de spoorwegstakingen in 1903 forse wettelijke maatregelen tegen toekomstige stakers. Alleen bij de ‘radicalen’ in Amsterdam, (zo schrijft Piet de Rooy) een kleine groep politici, vooral steunend op de middenklasse, is er het besef dat nieuwe problemen nieuwe oplossingen noodzakelijk maken. De politieke activiteit van deze groep beperkt zich hoofdzakelijk tot Amsterdam, maar het beleid dat ze daar weten te realiseren wordt na verloop van tijd alom nagevolgd. De radicalen staat een nieuwe sociale orde voor ogen. En ze krijgen – zij het moeizaam – voet aan de grond. Na lang aandringen door de vakbonden en de gemeenteraad wordt er in 1903 een gemeentelijk verzekeringsfonds opgezet en wordt de Arbeidsbeurs –een voorloper van de huidige Dienst Werk en Inkomen – in 1908 een gemeentelijke dienst. Henri Polak is vanaf 1902 het eerste SDAP-raadslid in de Amsterdamse gemeenteraad en de partij groeit gestaag. De eerste grote stappen zijn gezet, daar in het Amsterdam rond de vorige eeuwwisseling. In 1914 wordt de Armenwet grondig herzien, de basis voor de latere Bijstandswet van Marga Klompé. Die past in een lange rij sociale wetten uit deze tijd: wetten met betrekking tot wonen, leerplicht, ouderdom en ongevallen. Het is, weten wij, de geboorte van de verzorgingsstaat.

Dames en heren, tijd voor onze tijd. Als we nu de Blauwbrug over slenteren, zien we natuurlijk allereerst de Stopera. De Waterloopleinmarkt is nu een trekpleister voor toeristen. In de buurt vinden we onder meer een welbekende supermarkt, een biologische winkel, een soepwinkel, een trendy kapperszaak, verschillende hippe kledingzaken, een boekhandel, een metrostation, en in de Zuiderkerk een wooninformatiecentrum. Het is een gewilde buurt, de huizen zijn niet goedkoop. Deze buurt is natuurlijk niet representatief voor heel Amsterdam, maar vertelt u mij maar welke buurt dat wel is. Ook in de minder chique buurten is het verschil met honderd jaar geleden spectaculair.

Amsterdam behoort vandaag tot de tien belangrijkste handelscentra van de wereld en bij de snelst groeiende stedelijke economieën in Europa. De afgelopen jaren waren vette jaren. Het aantal vestigingen en ondernemingen steeg en de werkloosheid nam af: landelijk zelfs tot een historisch laag niveau. In internationaal perspectief doen Nederland en Amsterdam het goed als het gaat om werkgelegenheid en armoede; Eurostat publiceerde daar onlangs nog cijfers over.

Amsterdam heeft verder veel hoger opgeleiden. Met  51% hoger opgeleiden is de Lissabondoelstelling hier al behaald. Ook in dit opzicht hoort Amsterdam tot de Europese top. Dat is de ene kant.

In Amsterdam anno 2009 is de werkloosheid, dat wil zeggen het aantal ingeschrevenen bij UWV, 7,1%. Meer dan de helft van deze werkzoekenden is van niet-westerse origine en daarbinnen neemt het aandeel niet-westerse allochtonen toe. Meer dan een derde van hen heeft een opleiding op basisschoolniveau, een kwart heeft slechts een VMBO-opleiding. Ruim de helft van de werklozen is langdurig werkloos, een percentage dat lijkt toe te nemen. De afgelopen jaren omvatte het aantal minima, dat rond de 18% schommelt in Amsterdam, een steeds groter aandeel werkenden. Het aantal mensen met een bijstandsuitkering daalde daarentegen. Vermoedelijk vinden deze mensen steeds vaker werk, maar zij blijven tot de minima behoren. Deze cijfers laten de gevolgen van de huidige crisis nog niet zien. Maar het is bekend: de vette jaren zijn voorlopig voorbij. Dat wordt al gevoeld in de stad, bij werknemers, kleine zelfstandigen en grote ondernemers. Dat blijkt onder andere uit de enorme daling van het aantal bij het UWV Werkbedrijf gemelde vacatures.

Als het gaat om individuen die in de 21ste eeuw op eigen kracht uit achterstanden zijn gekomen ken ik prachtige voorbeelden; daar kan ik gemakkelijk een half uur mee vullen. Zoals Said Bensallam uit Amsterdam West. Hij maakte zijn school niet af en leek voorbestemd voor een leven op straat. Tot hij werd getroffen door een foto van zijn Marokkaanse nichtje met een hazenlip. Hij ging geld inzamelen voor een operatie. Inmiddels beheert hij twee Stichtingen: één om geld in te zamelen voor medisch materiaal in armere landen, en één voor jongereninitiatieven in Nieuw-West. Een ander voorbeeld is hardloper Akwasi Frimpong, opgegroeid op een kostschool in Ghana met armoede en geweld. Na zijn vlucht naar Nederland kwam op de atletiekbaan in de Bijlmer zijn talent aan het licht. En zijn doorzettingsvermogen, want hij heeft ruim dertien jaar moeten wachten op een verblijfsvergunning. Hij studeert nu aan een Amerikaanse universiteit en loopt nog steeds heel hard En dan heb ik het nog niet gehad over rolmodellen als Ahmed Aboutaleb en Ahmed Marcouch, wier doorzettingsvermogen hen heeft gebracht waar ze nu zijn.

Wat vakbonden doen in 2009, daar staan de kranten bol van. De vakcentrales zijn belangrijke actoren in het positiespel tussen politiek, werknemers en werkgevers. Vergeleken met honderd jaar geleden is hun taak verantwoordelijker en ingewikkelder. De georganiseerde werknemers scheppen in het cao-overleg overzichtelijkheid op de van nature ondoorzichtige arbeidsmarkt en zijn vaste en gewaardeerde partners van werkgevers. Dat vergemakkelijkt het leven van werkgevers en werknemers en bevordert de sociale rust, die een collectief belang van de arbeidsmarkt is. In onze samenleving is dat een essentiële functie en tegelijkertijd een flinke verschuiving van hun rol in vergelijking tot honderd jaar geleden. Emancipatie; de verheffing van armen en arbeiders zoals de vakbonden honderd jaar geleden nastreefden, is daarentegen nauwelijks nog een agendapunt.

En wat is de rol van de overheid, honderd jaar later?

We hebben gezien hoe de zorg voor armen en werklozen lang een particuliere aangelegenheid is geweest. Mede door de opkomst en de invloed van de vakbeweging ging de overheid zich op dit terrein manifesteren en werd voor een belangrijk deel probleemeigenaar. Allengs groeide het verantwoordelijkheidsbesef en inmiddels weten we niet beter. Het woord ‘verzorgingsstaat’ drukt het al uit: het is de staat die zorgt: voor welvaart en welzijn voor eenieder, via collectieve arrangementen. De grondgedachte van de verzorgingsstaat was en is drieledig. Ik verwijs naar Romke van der Veen, die dat in zijn essay ‘ Nieuwe risico’s en oude arrangementen’ opsomt:

1.   de garantie van een zekere mate van sociale zekerheid;

2.   de bestrijding van willekeur in de verdeling van levenskansen;

3.   de bevordering van maatschappelijke integratie.

Intussen is er sinds de jaren tachtig van de 20ste eeuw niet langer sprake van uitbreiding van regelingen en wetten die de bovengenoemde doelen moeten ondersteunen, maar veeleer een vermindering ervan. Zijn de drie doelen van de verzorgingsstaat dan inmiddels bereikt? Zijn we klaar of zijn we doorgeschoten? Heeft de wal het schip gekeerd? In ieder geval is de legitimiteit en de beheersbaarheid van de verzorgingsstaat onder druk komen te staan.

De verzorgingsstaat heeft een collectief karakter, en solidariteit is een belangrijk begrip. Die collectiviteit begint lastig te worden naarmate de samenleving flexibeler (qua arbeidsloopbaan en ‘levenswandel’), individualistischer, heterogener en internationaler is geworden. Onderwijs en inkomensbescherming hebben mensen onafhankelijker gemaakt en deze vrucht van de strijd van vakbeweging, sociaal-democratie en later ook christen-democratie heeft tegelijkertijd de grenzen van de verzorgingsstaat in zicht gebracht. Zo hebben wij ook gezien dat er groepen zijn die sociale voorzieningen zijn gaan beschouwen als rechten zonder meer; voor hen is de verzorgingsstaat iets waar je gebruik van maakt en waar je recht op hebt zonder de achterliggende waarden te herkennen en daar deel van uit te maken, wat op zichzelf een spanning met die uitgangspunten te weeg brengt..

U merkt, ik neem grote stappen. Dat doe ik omdat deze ontwikkeling inmiddels genoegzaam bekend is. Er zijn studies over vol geschreven. Er zijn ook tal van oplossingen aangedragen om de verzorgingsstaat nieuwe ‘schwung’ te geven, hetgeen heeft geleid tot een flink aantal aanpassingen, zowel landelijk als op gemeentelijk niveau. Dat zijn vrijwel zonder uitzondering aanpassingen geweest waarbij collectieve, beschermende arrangementen van de verzorgingsstaat vervangen werden door preventieve, activerende arrangementen, zoals Van der Veen dat noemt. Jongeren hebben bijvoorbeeld alleen maar bij uitzondering recht op een bijstandsuitkering. Schoolverlaters zonder diploma worden bij voorkeur terug gestuurd om hun school af te maken. Kan dat om de een of andere reden niet, dan krijgen zij een aanbod voor een leerwerktraject met een bijbehorende stagevergoeding. Een vergelijkbare aanpak wordt ontwikkeld voor volwassenen die een kleine afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Maar ook diegenen die een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben en wel een bijstandsuitkering krijgen, worden aangesproken op hun vermogen te werken aan de verbetering van hun toekomstkansen.

Die preventieve, activerende aanpak legt een belangrijke nadruk op individuele verantwoordelijkheden. Dat neemt niet weg dat de overheid een essentiële en bepalende factor is geworden en gebleven. Daarom noemde ik Henri Polak – en met hem een groot aantal anderen – een grootse ‘agendasetter’, want sinds de tot standkoming en vervolmaking van dat ‘sociale contract’ waar hij en zijn kompanen destijds voor streden, is de overheid verantwoordelijk voor die drie doelen die ik noemde; niet de kerk, niet de vakbonden of ruimer: het maatschappelijk middenveld, en het is – ondanks alle nadruk op eigen verantwoordelijkheid – evenmin zo dat mensen het maar zelf moeten uitzoeken.

De groei van het aantal werkende armen suggereert intussen dat de activerende aanpak geen panacee voor alle problemen is. Niet iedereen die actief is op de arbeidsmarkt slaagt er in voldoende inkomen te verwerven om uit de armoede te komen. Wel lijkt het er op dat de kansen op inkomensverbetering op termijn groter zijn dan van mensen in de bijstand, maar heel veel weten we nog niet van deze groeiende groep.

Dames en heren, het wordt tijd om de balans op te maken.

Een omwenteling in het denken die samenleving en politiek ingrijpend veranderde. Een nieuw sociaal contract tussen burgers en overheid over de vraag wie verantwoordelijk is voor de ondersteuning en emancipatie van achterstanden in de samenleving. Dat is wat Henri Polak cum suis teweegbrachten rond de vorige eeuwwisseling. Maar Russell Shorto heeft het goed gezien. “The Dutch Welfare State” is niet de socialistische heilstaat geworden die sommige revolutionairen voor ogen hadden aan het begin van de twintigste eeuw. Het is een redelijk en gebalanceerd systeem. Inkomensverschillen zijn hier kleiner dan in de Verenigde Staten en dat geldt ook voor het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft. Wanneer je ongeschoold werk doet, hoef je niet twee of drie banen te hebben om het hoofd boven water te houden en wanneer je geen werk hebt is de armoede ook niet zo groot dat je in de goot terecht komt en nog lastiger uit die achterstandspositie raakt.

Maar daarmee zijn niet alle idealen verwezenlijkt. Nog altijd is er een verband tussen sociaal-maatschappelijke en economische afkomst en sociaal-maatschappelijke en economische toekomst. Het verband tussen opleidingsniveau en arbeidsmarktkansen is de afgelopen decennia alleen maar toegenomen en de positie van lager opgeleiden lijkt te marginaliseren. De recessie zal volgens deskundigen dit verschil alleen maar scherper maken. De werkloosheid onder laaggeschoolden is twee maal zo hoog als bij hoger opgeleiden. Dat de kansen op werk voor deze grote groep kleiner zijn dan voor hoger opgeleiden is in strijd met een van de wezenlijke verworvenheden waar begin van de 20ste eeuw voor gestreden is: het bestrijden van willekeur in levenskansen. Dat baart zorgen. Voor de problemen aan de onderkant van de economie is onze agenda behoorlijk mager.

Of is het echt nodig om het netto, en vooral het bruto minimumloon te verlagen, zoals Heleen Mees voorstelt, waardoor de arbeidsmarkt voor lager opgeleiden concurrerender wordt? Ik begrijp de discussie, die ons nog eens drukt op de vraag hoe de onderkant van de arbeidsmarkt kunnen stimuleren en de werkloosheid verminderen. Maar het is wel een hoge prijs na de strijd die de afgelopen eeuw gevoerd is om te komen tot een aanvaardbaar minimumbestaan. Er zijn wellicht andere manieren.

Natuurlijk is het belangrijk om Amsterdam als kennisstad neer te zetten. Het is mooi dat deze regio een forse bijdrage levert aan het landelijke streven om de internationale concurrentie het hoofd te bieden door in te zetten op kennis, onderzoek en innovatie. We zijn trots op het hoge opleidingsniveau en op de fantastische creatieve industrie, het zijn onze visitekaartjes. En die economie levert ook werk op voor laaggeschoolden. Maar daar zou nog veel meer uit te halen moeten zijn. Onlangs, op de arbeidsmarkttop die in Amsterdam werd gehouden, hield journalist Kees Tamboer (opnieuw!) een vurig pleidooi voor nieuwe vormen van de maakindustrie. Hij betreurde bijvoorbeeld dat wij er niet in geslaagd zijn om hier een bloeiende kleermakerindustrie op te laten komen; de Gümüs-sen hadden dat in zich. Hester van Eeghen, zo’n prachtig voorbeeld van wat de design-industrie in onze stad vermag, laat haar tassen maken in Italië. Waarom niet hier? Moeten wij niet veel creatiever zijn in het koppelen van onze creatieve industrie aan de maakindustrie, en zou dat niet een deel van een antwoord kunnen zijn op die magere agenda? We bieden een vangnet aan de sociaal zwakkeren; maar iemand die praktijkgerichte vakopleiding heeft hoort daar wat mij betreft NIET bij. Die moet op eigen kracht beoordeeld worden en de weg vinden. Amsterdam is een veelzijdige economie waar ook de leerling voor wie mbo-2 het hoogst haalbare is, een prima toekomst moet zijn weggelegd.

Ik sprak over het verband tussen opleidingsniveau en kansen op de arbeidsmarkt. Natuurlijk, niet voor iedereen is een hoog opleidingsniveau haalbaar. En zeker, ook voor degenen voor wie dat hoge opleidingsniveau niet haalbaar is moet de arbeidsmarkt als gezegd voldoende kansen bieden. Maar wel moeten wij ons uiterste best doen om voor iedereen het onderste uit de kan te halen. Leerkrachten moeten leerlingen stimuleren, en daar heb je capabele leerkrachten en een stimulerende schoolomgeving voor nodig, twee zaken waar het helaas nog al eens aan ontbreekt. Een tijdje geleden bleek bovendien dat leerlingen uit achterstandsgroepen regelmatig een lager advies met betrekking tot het niveau van hun voorgezette opleiding krijgen dan op grond van hun citoscore gerechtvaardigd zou zijn. “Tsja, hij of zij zou het misschien wel kunnen, maar laten we, gezien de omstandigheden, maar het zekere voor het onzekere nemen en wat lager beginnen” wordt dan gezegd door een goedbedoelende leerkracht. En onder omstandigheden kun je het wel invullen: armoede, werkloosheid, taalproblemen. Dat is natuurlijk om allerlei reden het verkeerde signaal: er moet ons altijd veel aan gelegen zijn om talenten te ontplooien; dat is goed voor de betrokkenen en het is goed voor de samenleving.

Bij het versterken van de emancipatoire kracht van de arbeidsmarkt en het onderwijs zie ik een rol voor alle partijen. De overheid moet zorgen voor goed opgeleide leerkrachten, en daar ontbreekt helaas nog vaak aan. Het onderwijs, maatschappelijk middenveld bij uitstek, moet zorgen voor goede scholen. Ook dat gaat bepaald niet goed genoeg. Wist u dat in Amsterdam  ten minste 44 van de ruim 200 basisscholen als ‘zwak’ of ‘zeer zwak’ aangemerkt worden door de Inspectie? En het onderwijs moet gevoed worden door de arbeidsmarkt, opdat schoolverlaters ook werkelijk goed beslagen ten ijs komen. Het zijn onderwerpen waar de vakbeweging zich wat mij betreft uitvoerig mee mag bemoeien. Om nog maar te zwijgen van een education permanente, die in onze voortdurend en snel veranderende wereld steeds meer noodzaak is. En ten slotte de leerlingen zelf: dat zij maar alle kansen mogen krijgen, en voor zover ze die onvoldoende krijgen, het heft in eigen hand zullen nemen zoals de Monne de Miranda’s, Saïd Bensallams, Kwasi Frimpongs en Ahmed Aboutalebs. En dat zij daarbij gestimuleerd mogen worden door de Theo Thijssens van deze tijd.

Daarmee ben ik tot slot terecht gekomen bij de individuele verantwoordelijkheid. De voorbeelden van mensen die zich op eigen kracht aan een achterstandpositie ontworstelen maken grote indruk. Toen en nu. Zonder die individuele verantwoordelijkheid staan de andere partijen machteloos. Maar omgekeerd zijn overheid en vakbeweging essentiële facilitatoren; zonder die beide zouden heel veel minder individuen zover gekomen zijn, zonder hen zou de maatschappij zich niet ontwikkeld hebben tot de – ondanks alle gebreken en wensen - hoge graad van beschaving die we nu kennen.

Het blijft dus zoeken naar een balans. Een balans tussen een overheid die kaders biedt en middelen genereert, maatschappelijke actoren die daadwerkelijk uitvoering moeten geven aan bijvoorbeeld goed onderwijs en de aansluiting op de arbeidsmarkt, en individuen die daar niet alleen gebruik van kunnen maken, maar het uiteindelijk zelf moeten doen. Met andere woorden: onderwijs en werk waren en zijn de sleutels tot emancipatie uit een achterstandpositie. Maar daar hoort nog iets ongrijpbaars bij: motivatie. Medewerkers van UWV en DWI, maar ook iedere hulpverlener en straatcoach, zij allen zullen onderschrijven dat emancipatie staat of valt bij intrinsieke motivatie. De wil om iets te bereiken, de wil om je talent te ontdekken en te ontplooien. Anderen kunnen daarbij helpen; sterker nog: anderen zijn daarvoor nodig. Maar je moet het uiteindelijk wel zelf doen.

 

Literatuurlijst

Joosje Lakmaker – Voorbij de Blauwbrug

Piet de Rooy – Werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding 1917-1940.

Geert Mak- Een kleine geschiedenis van Amsterdam (1995)

Piet de Rooy (red) - Geschiedenis van Amsterdam 1900-2000 (2007)

Salvador Bloemgarten – Henri Polak, sociaal democraat 1868-1943

Een kwaad leven, de arbeidsenquete van 1887 (1981)

Salvador Bloemgarden en Philo Bregstein – Herinneringen aan Joods Amsterdam (1978)

Jacques van Hoof en Wim van Noort- Arbeid, onderwijs en sociale ongelijkheid in de 21ste eeuw (2004)

SCP, Ruud de Mooij – Reinventing the welfare state

Suzanne Jansen – Het pauperparadijs

Armoedemonitor Amsterdam – O&S

Ondernemerschap Amsterdam – O&S

CPB gegevens

WRR- burgers en praktijken, 2003