Dames en heren,
Florentinus Marinus Wibaut had niet alleen grote betekenis voor de stad Amsterdam, maar ook voor de ontwikkeling van de gemeentepolitiek en de socialistische beweging in Nederland. Het is daarom volkomen op zijn plaats om zijn 150e geboortedag met een reeks van evenementen te markeren.
In uw programmaboekje staat mijn verhaal van vanmiddag aangekondigd als “Wibaut als gemeentemens”. Niet iedereen kent de achtergrond daarvan; laat ik daar eerst iets over zeggen.
Ik neem u daarom mee terug in de tijd, en put daarbij dankbaar uit de mooie biografie over Wibaut van Gilles Borrie[1] uit 1968 en uit Wibaut’s memoires zoals opgetekend in zijn in 1936 postuum verschenen boek “Levensbouw”[2].
Florentinus Marinus Wibaut werd op 23 juni 1859 in Vlissingen geboren in een katholiek gezin. Zijn vader, Florentinus Wibaut, was koopman van beroep en dreef een winkel in levensmiddelen en brandstoffen. Geleidelijk aan ontwikkelde Wibaut Sr. zich tot een van de notabelen van Vlissingen en Zeeland. De brandstoffenhandel breidde zich uit en in de zeventiger jaren van de 19e eeuw schafte Wibaut sr. een aantal zeilschepen aan, waardoor hij zich ook reder kon noemen. Hij was een van de medeoprichters van NV Scheepvaartmaatschappij Zeeland en van scheepswerf De Schelde. Hij vervulde jarenlang de functie van voorzitter van de Kamer van Koophandel, had van 1876-1881 zitting in de gemeenteraad van Vlissingen en zat zowel in het katholieke kerkbestuur als in het bestuur van het katholieke weeshuis.
Zijn zoon Floor kreeg een gedegen katholieke opvoeding - Floor Wibaut zat tijdens zijn middelbare schooltijd op de beroemde katholieke kostschool Rolduc bij Kerkrade. Na enige jaren hierop te hebben gezeten wilde de jonge Floor zelfs priester worden!
Maar zijn ouders vonden dat geen goed idee. Ze stuurden hem in 1873 naar de Openbare Handelschool in Amsterdam die slechts een paar jaren daarvoor, in 1869, was gesticht.
Floor Wibaut zou daar tot 1877 blijven. Tijdens deze vroege Amsterdamse jaren maakte Wibaut onder andere kennis met de ideeën van Multatuli. Hij werd er diepgaand door beïnvloed. Hij hield er een opstandigheid tegen iedere sleur in denken en doen aan over die hem tot de vrijdenker stempelde die hij zijn hele leven zou blijven Deze vroege Amsterdamse jaren zijn debet aan zijn breuk met het katholieke geloof van zijn jeugd. En het zijn ook deze jaren die in de jonge Floor een vurige liefde voor Amsterdam doen ontkiemen. In “Levensbouw”, zegt hij hierover: “Zo groot is de bekoring van Amsterdam voor mij geweest en gebleven, dat ik er bezwaar tegen heb voor Zeeuw te worden gehouden, hoewel dat op zichzelf een voorrecht is. Ik voel mij veel meer Amsterdammer dan de meesten die er geboren zijn”.
In 1877 keert Floor Wibaut terug naar Zeeland. Zijn vader bezorgt hem een betrekking bij houthandel Albers in Middelburg. Wibaut zou bijna 30 jaren in deze handel werkzaam zijn en opklimmen tot directeur. Hij trouwt in Middelburg, krijgt kinderen en bouwt er een succesvolle maatschappelijke carriere op. Maar zijn levenstaak ligt elders.
Vanaf 1891 noemt Wibaut zich socialist. In 1897 wordt hij lid van de in 1894 opgerichte Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP), de voorloper van de Partij van de Arbeid. Vanaf dat moment komt bij hem steeds sterker de wens naar voren om zich uit het zakenleven terug te trekken, zich geheel aan het socialisme te wijden en een functie in partijverband te gaan vervullen. Hij ontwikkelt zich door zijn vele publicaties in socialistische tijdschriften en weekbladen tot een van de sterke mannen van de SDAP. En in 1904 komt hij naar Amsterdam. Hij is dan 45 jaar en hij komt om zich aan de gemeentepolitiek te wijden.
Waarom Amsterdam?
En waarom de gemeentepolitiek?
Voor Wibaut was het antwoord op deze vragen niet moeilijk. Amsterdam en de gemeentepoltiek waren voor hem twee zijden van dezelfde medaille: Daar gebeurde het!
Wat er precies gebeurde kunnen we nalezen in het hoofdstuk “Het middelpunt van het vaderland 1900-1914”, in Deel IV van de Geschiedenis van Amsterdam van de hand van de historicus Piet de Rooij[3].
Het beeld van Amsterdam aan het begin van de 20ste eeuw zoals De Rooij dat beschrijft is dat van een stad in transitie. De wat gezapige, op oude glorie terende, ingeslapen stad uit de 19e eeuw, ontwaakt uit haar lethargie en maakt langzaam plaats voor een moderne metropool met alle gemakken, maar ook ongemakken van dien. Amsterdam wordt de enige grote stad van het land - en in die hoedanigheid bijzonder.
Volgens een volkstelling in1899 had de stad 408.000 inwoners - dit was bijna een verdubbeling van het aantal inwoners sinds 1875.
Van alle inwoners oefende bijna 130.000 een beroep uit. Amsterdam was daarmee de grootste arbeidersstad van het land.
Dat dit het speelveld van de SDAP, opgericht om parlementaire actie te voeren, moest worden, ligt dan voor de hand - maar bij de eeuwwisseling hadden de mannen van de SDAP nog niets te vertellen in de gemeenteraad van Amsterdam. In 1902 had de partij weliswaar 24% van de uitgebrachte stemmen, maar slechts een zetel (Henri Polak) in de gemeenteraad. In 1904 kwam daar nog een bij en in 1906 een derde. Pas in 1907, als de SDAP 35% van de stemmen behaalt, vindt een sprong naar zes zetels plaats - waaronder die van Floor Wibaut.
Ongeveer 50% van de Amsterdamse mannelijke beroepsbevolking vond bij het gloren van de twintigste eeuw emplooi in de nijverheid, en in traditionele bedrijfstakken als de diamantindustrie en de bouwnijverheid.
Een ander deel vond emplooi in de detailhandel: in winkels en als venters op straat.
Maar sinds de bouw van het Noordzeekanaal in 1876 was er ook sprake van nieuwe bedrijvigheid in verschillende met elkaar vervlochten sectoren zoals vervoer (denk aan de Spoorwegen, maar ook aan scheepvaartondernemingen ), de scheepsbouw (waaronder de Amsterdamse Droogdok Maatschappij en de Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij) en de machinenijverheid.
Die nieuwe bedrijvigheid, maar ook nieuwe vervoermiddelen als de fiets, de tram en de auto, de uitbreiding en modernisering van de winkels, gekoppeld aan het grotere aantal mensen in de stad beinvloedde het samenleven van de stadsbewoners in hoge mate. Om dat allemaal goed te laten verlopen was er enerzijds een grotere zelfdiscipline van de stadsbewoner, en anderzijds meer regeling van bovenaf nodig - en in de eerste jaren van de twintigste eeuw neemt de gemeente die laatste rol steeds meer op zich. De Rooij geeft een aantal voorbeelden van de gemeente als middelaar in het openbare leven:
- bij de regeling van het moderne stadsverkeer
- in een winkelsluitingsverordening
- bij de aanpak van de opstandige jeugd (die toen al, volgens verschillende bronnen, in Amsterdam alle perken te buiten ging, ook al was er nog geen allochtoon of Marokkaan te bekennen)
- als organisator en financier van bijstand en zorg, met name de armenzorg.
- en ten slotte kon de gemeente als “mediator” optreden in potentiele conflicten tussen de verzuilde gemeenschappen in de stad.
Tot zover weinig nieuws onder de zon in vergelijking met de problemen aan het begin van de 21ste eeuw.
De gemeente kreeg zo al doende een veel grotere invloed op het maatschappelijk leven van de stad. Dat was in het laatste decennium van de 19e eeuw begonnen. Onder leiding van de radicale liberale wethouder M.W.F. Treub was aan de chaos van de particuliere exploitatie van de water-, gas- en elektriciteitsvoorziening, maar ook van het telefonisch verkeer en het openbaar vervoer een einde gemaakt. In rap tempo kwamen de Dienst der Gemeentewaterleidingen (1896), de Gemeentelijke Telefoondienst (1896), de Gemeente Gasfabrieken (1898), de Dienst der Gemeentetram (1900) en de Gemeente Elektriciteitswerken (1903) tot stand.
Ook op het gebied van de gezondheid en hygiene in de stad nam de gemeente in die periode de touwtjes in handen getuige de optuiging van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (1893) en de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst (1901). Op het gebied van de ruimtelijke ordening bestond sinds 1856 de Dienst der Publieke Werken en in 1901 ontstond na aanvaarding van de Woningwet, de Gemeentelijke Dienst voor het Bouw en Woningtoezicht. De arbeidsbemiddeling tussen werkgevers en werknemers ging vanaf 1908 via de Gemeente-Arbeidsbeurs, en zelfs op het gebied van de verzekering tegen werkloosheid vervulde de gemeente Amsterdam een rol.
De gemeente Amsterdam fungeerde aldus voor een aantal terreinen als proeftuin voor wat na de Tweede Wereldoorlog de verzorgingsstaat zou worden - maar dan niet meer op gemeentelijk, maar op landelijk niveau georganiseerd.
Het functioneren van de stedelijke samenleving en haar inwoners werd hierdoor gaandeweg steeds afhankelijker van het optreden van de gemeente en haar gemeentelijke diensten en bedrijven. De gemeente was niet meer weg te denken uit het functioneren van de stad. Maar ook anderszins zou de invloed van de gemeente in het leven van de stedelingen doordringen. De vele gemeentelijke diensten en bedrijven boden Amsterdammers van alle sociale echelons de mogelijkheid om hun brood te verdienen. De complexiteit van de moderne grote stad bood kansen aan een nieuw type ambtenaar, die goed geschoold moest zijn en nieuwe administratieve, technische en financiele competenties in huis moest hebben.Vanaf 1911 was Amsterdam met ruim 12.000 werknemers de grootste werkgever van de stad - en zou dat tot op de dag van vandaag blijven. Als werkgever stelde de gemeente zich tot doel een voorbeeldorganisatie te zijn om het gebied van de lonen en andere arbeidsomstandigheden. Ook hier was Amsterdam proeftuin - van sociaal beleid en arbeidsomstandigheden.
Het voorgaande suggereert dat Amsterdam in de eerste tien jaren van de twintigste eeuw een energiek beleid voerde waarover in de gemeenteraad met verve werd gedebatteerd. Niets is minder waar.
Toen Floor Wibaut in 1907 samen met vijf andere leden van de SDAP in de Amsterdamse gemeenteraad werd gekozen, was dit een a-politiek lichaam van bedaagde heren die vooral non-interventie voorstonden, niet goed wisten hoe de stad zich verder moest ontwikkelen en daaraan niet veel sturing gaven.
De SDAP daarentegen had wel nagedacht over een activistisch beleid. De SDAP-gemeenteraadsleden Floor Wibaut en Pieter Lodewijk Tak bouwden aan een programma voor sociaal-democratische politiek waarin de gemeente werd gezien als de instantie die verantwoordelijk was voor “het grootst mogelijke gerief voor de bevolking”. Natuurlijk zou dit slechts werkelijk mogelijk zijn als het socialisme zou zijn ingevoerd, en dat kon onmogelijk slechts op lokaal niveau plaatsvinden, maar de gemeente was wel de ideale oefenplaats voor latere uitbreiding.
De sociaal-democraten zagen het als hun taak om de economie te organiseren naar maatstaven van sociale rechtvaardigheid om aldus zorg te dragen voor de inbedding van het kapitalisme. De gemeente bood hiervoor kansen. Door het realiseren van publieke voorzieningen kon aan de lotsverbetering van de arbeiders en het vesterken van het klassebewustzijn worden gewerkt. Ook diende de gemeente zich aan als een prima leerschool voor sociaal beleid. Later zou dit exclusief op de arbeidersklasse gerichte perspectief verschuiven in de richting van de gehele bevolking van de stad - immers ook de meer kapitaalkrachtige inwoners waren voor de voorziening van hun behoeften afhankelijk van de gemeente.
Gemeentelijke politiek ging voor Wibaut c.s. uit van de taak om te voorzien “in de behoeften, stoffelijk en geestelijk, van welke vaststaat dat de collectieve voorziening van gemeentewege doelmatiger is dan de particuliere voorziening door verschillende groepen ooit zou kunnen zijn”. Om deze gemeentelijke politiek te kunnen voeren waren gemeentelijke autonomie in het beheer en bestuur van haar aangelegenheden en decentrale uitvoering van het beleid onontbeerlijk.
Onder autonomie verstond Wibaut ook financiele autonomie: de gemeente moest niet alleen belasting kunnen heffen ter bekostiging van de collectieve behoeften, maar moest omgekeerd onbeperkt de financiele gevolgen dragen van haar eigen beslissingen. Als Wethouder van Financien hield hij de gemeenteraad voor dat de gemeente om een gulden te kunnen uitgeven, die gulden eerst moest hebben, en dat de gemeente om een gulden te hebben, die eerst ergens moest nemen en dat men dezelfde gulden maar eenmaal kon uitgeven.
Dat collectieve voorzieningen geld kostten dat door belastingen moest worden opgebracht, was steevast een van de kritiekpunten van de tegenstanders, die daarin ook een teken zagen van wanbestuur van de overheid. Maar Wibaut vond altijd dat de heffing van belastingen geen maatstaf was voor de kwaliteit van het bestuur. Als toetssteen van goed overheidsbeheer gold zijns inziens niet of een gemeente veel of weinig geld uitgeeft, maar of een gemeente niet meer geld uitgeeft voor noodzakelijke voorzieningen, dan bij een efficient beheer nodig is.
De SDAP stond een actieve rol van de gemeente voor die te realiseren was door het inrichten en beheren van allerlei instellingen van gemeentewege. Concreet betekende dit een streven naar uitbreiding van collectieve voorzieningen (zoals ziekenhuizen, badhuizen, nutsvoorzieningen, openbaar vervoer) maar ook naar de instelling van betere scholen, uitbreiding van culturele instellingen en het verbreden van het aanbod van diensten, zoals broodbakkerijen, kleermakerijen en wasbedrijven. Tegenover de chaos, het winstbejag en de verspilling van het kapitalisme stelden zij de gemeenschappelijke voorziening in allerlei behoeften door gemeentebedrijven. Al deze instellingen moesten modelinstellingen zijn, zowel uit het oogpunt van het openbaar belang, als van de voorwaarden waaronder zij die er werkten hun diensten verleenden.
Maar Wibaut werd vooral gegrepen door de woonellende van vele inwoners in de stad. Hij vond dat het uitgangspunt voor de verhoging van de beschaving van de arbeidersklasse moest liggen in verbetering van woningen. De Woningwet 1901 gaf de mogelijkheid van sanering van buurten door het onbewoonbaar verklaren van woningen. Maar Wibaut en de SDAP vonden dat onvoldoende om de woningnood en de woonellende te lenigen omdat er te weinig vervangende woonruimte was. Toch vormde deze wet de onderbouwing van het beroemde SDAP-plan van 1911 om 2000 woningen te bouwen en die te verhuren voor een rijksdaalder per week. Dat was weliswaar een te laag bedrag om de kosten van bouw en exploitatie af te lossen, maar door subsidiering van de tekorten door Rijk en gemeente konden de kosten worden opgebracht. De Woningwet 1901 bood de mogelijkheid van rijkssubsidie voor het plegen van nieuwbouw - een mogelijkheid die tot dan toe nauwelijks werd gebruikt. Het is dan ook de verdienste van Wibaut te noemen dat hij die mogelijkheden wel onderkende. De rest is (volkshuisvesting) geschiedenis en een van de grote succesverhalen van de sociaal-democratische gemeentepolitiek. Wie bouwt? Wibaut.
Dames en heren,
Wie van een afstand van meer dan 100 jaren terugkijkt naar de eerste jaren van de sociaal-democratische gemeentepolitiek kan niet anders dan vol bewondering zijn.
Wat men zich voornam was gigantisch; wat men realiseerde ook. In de praktijk van de gemeentepolitiek breidden sociaal-democraten publieke voorzieningen en publieke invloed aanzienlijk uit.
De vraag naar de parallellen tussen toen en nu is een moeilijke, al was het maar omdat de geschiedenis zich nooit herhaalt. Er is natuurlijk in die honderd jaren veel veranderd in Amsterdam - maar sommige dingen zijn nagenoeg hetzelfde gebleven.
De stad is nog steeds, net als in Wibauts tijd de plaats waar “het” allemaal gebeurt.
Amsterdam is nog steeds “de stad” van Nederland. Economisch, cultureel, toeristisch en als winkelstad - geen andere stad in Nederland kan zich met Amsterdam meten. Het is een stelling die ook anderen dan de burgemeester van Amsterdam in redelijkheid kunnen betrekken.Amsterdam is het financiele centrum van het land, de grootste toeristische trekpleister van Nederland met meer dan 10 miljoen bezoekers per jaar en het grootste winkelgebied van het land, de culturele hoofdstad, met meer theaters, concerthallen, podia, maar ook met meer mensen werkzaam in uitgeverijen, reclame, oude en nieuwe media, gaming-industrie etc dan welke andere stad dan ook.
De Amsterdamse regio is met luchthaven Schiphol, met de haven en met AMS-IX (de grootste Internethub van de wereld) een van de meest dynamische knooppunten van Europa voor mensen, goederen, nieuwe technologieen en nieuwe ideeen.
Grootstedelijke uitdagingen en problemen doen zich nog steeds voor. Ik doe een greep:
- Jeugdproblematiek
- Immigratie en integratie
- Radicalisering van moslims
- Werk en werkloosheid
- Afvalverwerking
- Luchtverontreiniging
- Bereikbaarheid van de stad
De complexiteit van het samenleven in de grootstedelijke samenleving is niet afgenomen. Integendeel, door de toename van de bevolking tot 756.000 inwoners, die afkomstig zijn uit 177 verschillende landen is die waarschijnlijk alleen maar toegenomen.
Op veel van de bovengenoemde terreinen moet de gemeente daarom met verniewingen komen. Het verglazen van de stad door de uitrol van glasvezel, de afval-energie-centrale, interventies, om iets totaal anders te noemen, om de jeugd op het goede spoor te houden door de inzet van gezinscoaches en straatcoaches,de formulering van uitgangspunten voor integratie en het tegengaan van polarisatie en radicalisering, de aanpak van criminaliteit en prostitutie op de Wallen.
Ook in de 21ste eeuw hebben inwoners van de stad met publieke dienstverlening te maken. Bijvoorbeeld als patient (zorg), als leerling of student (onderwijs), als reiziger in tram, trein, bus (openbaar vervoer), als afnemer van gas, water en elektriciteit (nutsvoorzieningen), als slachtoffer van een misdrijf (politie), bij het aanvragen van paspoort of rijbewijs (overheidsloket), bij het zoeken of bemiddelen naar werk (sociale dienst) etc. Wat ook onveranderd is, is dat de gemeente Amsterdam met ruim 16.000 werknemers nog steeds een de grootste werkgever van de stad is – met zijn stadsdelen en tientallen gemeentelijke diensten en bedrijven.
Ja, in al deze opzichten is “de gemeente”, en zeker Amsterdam als grootste gemeente van het land, nog steeds het brandpunt van alle economische, culturele en sociale activiteit.
Wat wel is veranderd is dat de gemeente Amsterdam (anders dan in Wibauts tijd waarin de gemeenten veel autonomer opereerden) zo verweven is geraakt met de haar omringende gemeenten dat een eenzijdige gerichtheid op “de gemeente” om problemen op te lossen niet meer volstaat. Daarvoor in de plaats is gekomen regionale samenwerking op heel veel gebieden: politie, rampenbestrijding, gezondheidszorg, woningbouw, economische acquisitie, jeugdzorg, openbaar vervoer, de haven enz. Voor al deze terreinen zijn er regionale organen en structuren opgetuigd, vaak met eigen financieringsstromen – een moderne bestuurder besteedt een groot deel van zijn tijd aan de samenwerking in regionaal verband.
Tegelijkertijd heeft Amsterdam een betekenis die het regionale ontstijgt. Wat er in Amsterdam gebeurt en wat Amsterdam doet heeft meestal nationale en soms ook internationale betekenis.
Wat ook is veranderd is dat het niet meer vanzelfsprekend is, dat publieke dienstverlening altijd in handen van de gemeente en haar diensten en bedrijven is of idealiter moet zijn. Vooral sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw is er, ingegeven door kostenoverwegingen en aangejaagd door de neo-liberale tijdgeest die vanuit de Verenigde Staten en Groot-Brittanie tot ons kwam, een privatiserings- en marktwerkingsgolf over ons land gegaan, die ertoe heeft geleid dat de aanbieders van publieke goederen tegenwoordig zowel bij marktpartijen als bij de overheid te vinden zijn. De markt kon vaak beter en goedkoper dan een overheidsdienst in de collectieve noden van de burgers voorzien - een opvatting die haaks staat op wat Wibaut en de zijnen geloofden. De waarheid ligt zoals vaak ergens in het midden; overheidsdiensten zijn niet zaligmakend, private dienstverlening is dat evenmin.
De centrale vraagstelling van deze discussie is hoe de publieke dienstverlening het beste kan worden geregeld - en daar zijn geen klip en klare algemene antwoorden voor, zelfs niet voor sociaal-democraten.
In het WBS-rapport “Grenzen aan de markt” (2002) wordt daarover gezegd: “Marktwerking, verzelfstandiging of privatisering bij publieke dienstverlening, kan gewenst zijn”. Maar dat betekent in ieder geval niet dat politiek en overheid bij privatisering, verzelfstandiging of het toestaan van marktwerking, er voortaan helemaal vanaf moeten blijven - de funeste gevolgen van een dergelijke gedachtengang laat zich tot schande van de stad iedere dag zien bij de liberalisering van het taxi-wezen. Neen, juist bij een besluit tot privatisering, verzelfstandiging of het toestaan van marktwerking is het cruciaal dat politiek en overheid:
- een programma van eisen formuleren waaraan de dienstverlening moet voldoen
- de eigen rol bij het realiseren van die dienstverlening precies formuleren (bijvoorbeeld door het scheppen van een helder wettelijk kader en door heldere normering)
- zorgdragen voor instelling van adequaat toezicht op de uitvoering van de dienstverlening, dat weliswaar onafhankelijk is van de uitvoering maar zich wel moet onderwerpen aan politieke verantwoordelijkheid
- sturingscapaciteit in huis houden om in te grijpen als het mis gaat.
Bovendien: publieke dienstverlening rechtstreeks door de overheid is en blijft mogelijk. Het is een fictie dat particuliere ondernemingen altijd beter functioneren dan overheidsdiensten en bedrijven. Maar zelfs als zou dat zo zijn, dan nog kan het publieke belang van een bepaalde voorziening vergen dat die voorziening in publieke handen blijft en niet in de markt wordt gezet - zie Schiphol. In die gevallen spelen andere dan uitsluitend economische of financiele overwegingen een rol om het nut en het belang van de publieke dienst te schragen.
Bij dienstverlening door de overheid rust op de politiek de taak om voor kwalitatief hoogwaardige en toegankelijke dienstverlening zorg te dragen.
Het mes van een kwalitatief hoogwaardige toegankelijke publieke dienst moet aan twee kanten snijden. Enerzijds wordt de welvaart en het welzijn van de burger gediend, anderzijds creeert zij draagvlak voor de dienst bij de bevolking. Goed opgeleid personeel, een dienstverlenende mentaliteit, goede bedrijfsvoering en dito overheidsmanagement zijn allemaal zaken die hieraan bijdragen - maar dat wist Wibaut ook.
Ik wil daarom een eindigen met een citaat uit Wibaut’s beroemde rede “ Morgen” die hij in 1925 bij het 650-jarig bestaan van de stad in het bijzijn van vele hooggeplaatsten in het paleis op de Dam hield:
“ Het besturen van Amsterdam morgen zal gericht zijn op de stoffelijke welvaart en het geestelijk welzijn van de grote massa der werkers. De betekenis morgen van het woord welvaart zal een gans andere zijn dan de betekenis van dit woord in de geschiedenis van Amsterdam van vroegere tijden, door onze geschiedschrijvers te boek gesteld en door onze dichters bezongen. Welvaart betekent morgen niet meer de rijkdom van regentenfamilies, niet meer de schattenophoping door ondernemende kooplieden uit alle werelddelen bijeengehaald.
Het bevorderen van welvaart als taak van besturen betekent morgen het uitoefenen van bestuurszorg voor collectieve voorziening in nog uitbreidende collectieve behoeften van die grote massa des volks op elk gebied waar gezamenlijke voorziening doelmatiger blijkt dan persoonlijke.
Besturen morgen betekent op cultureel gebied, wetenschap en kunst de rechtmatige bevrediging bieden dat zij het gemeenschapsleven ten volle kunnen dienen.
Wij zien wordende, de opvatting dat de bevordering van welvaart voor zover zij thans de bestuurstaak kan zijn, moet liggen in de aanwending der bestuursmacht om collectieve voorziening in erkende behoeften te stellen overal waar maatschappelijke doelmatigheid haar eist”.
Einde citaat.
Ja, Wibaut was een gemeenteman. En een gemeenteman van uitzonderlijke klasse. Hij schiep verwachtingen en hij schiep een werkelijkheid naar die verwachtingen. Hij maakte nog niet mee hoe die werkelijkheid van een optredende overheid ook terecht kwam in een bureaucratie, die op een aantal terreinen zodanig contraproductief werd dat zij in haar tegendeel ging verkeren en de vraag of private dienstverlening niet efficiënter en doelmatiger was, kon opkomen. Wij zijn in onze tijd al weer een stap verder: wij zien hoe particuliere ondernemingen die publieke diensten verlenen, evenzeer contraproductief zijn geworden, zelfs verschrikkelijk contraproductief. En zo weten wij nu dat het voortdurend zoeken is naar een balans, een balans die inderdaad gericht moet zijn op de stoffelijke welvaart en het geestelijk welzijn van, zo zeggen wij nu, de burger. Maar het waren Wibaut en de zijnen die door hun denkkracht en hun aanpak van de collectieve voorzieningen op grote schaal voor een enorme sprong voorwaarts in welvaart en welzijn hebben gezorgd. Daarom is het goed deze grote Amsterdammer, 150 jaar na zijn geboorte, te eren.
[1] Dr.G.W.Borrie “F.M.Wibaut. Mens en Magistraat” 1968 Staatsuitgeverij ‘s Gravenhage en heruitgegeven in 1987 met voorwoord van Ed van Thijn.
[2] F.M. Wibaut “Levensbouw
[3] Zie Piet de Rooij in “Het middelpunt van het vaderland 1900-1914”in “Geschiedenis van Amsterdam - Deel IV” - SUN 2007, Blz. 17-73.