In Memoriam Harry Mulisch uitgesproken door burgemeester Van der Laan, Stadsschouwburg, 6 november 2010.
“Ik voel me vooral Amsterdammer. Geen Nederlander, want dat is ook Spijkenisse en Emmeloord.”
Dat antwoordde Harry Mulisch drie jaar geleden op de vraag of hij zich Europeaan voelde. “Ik voel me vooral Amsterdammer.”
Tweeënveertig jaar woonde hij aan de Leidsekade. Hij wisselde er viermaal van adres zonder ooit het huis te verlaten. De nummering van het huis werd enkele malen gewijzigd.
Met wethouder Gehrels heb ik hem daar een maand geleden nog opgezocht. Wij bezochten zijn studeerkamer, zijn micro kosmos. Het was een bijzonder afscheid van een innemend en flink mens.
Naar eigen zeggen had hij best een huis in Bretagne kunnen betalen: “Maar dan zit ik daar en dan regent het. Wat moet ik dan? Hier heb ik alles: theater, muziek, musea, bioscopen, cafés. Ik hoef er niet heen, maar het is er wel. Terwijl als het er niet was, dan zou ik onrustig worden en het gaan opzoeken. Ik wil in het gedoe zitten zonder eraan te hoeven deelnemen.”
Mulisch zat in het gedoe, genoot van de stad en met name van het hartje van de stad, van waaruit wij hem nu ook uitgeleide doen, het Leidseplein. En hij nam actief deel aan het culturele en maatschappelijke leven. Je kwam hem bij velerlei gelegenheden tegen. Elk jaar zette hij met zijn aanwezigheid – zittend op een van de trappen in dit gebouw - luister bij aan het Boekenbal. En onderwijl werkte hij gestaag door aan zijn imposante oeuvre.
Amsterdam komt daarin veelvuldig voor. Bijvoorbeeld in De Aanslag: “Na een paar minuten passeerden zij de achterkant van het Rijksmuseum, waar hij met zijn vader was geweest, en kwamen op een weids plein, waarvan het middelgedeelte was afgerasterd; ook stonden er twee reusachtige, rechthoekige bunkers.” Het verhaal van De Aanslag eindigt in november 1981 met het meelopen in de anti-kernwapendemonstratie die naar datzelfde Museumplein voerde.
“Ik bén de Tweede Wereldoorlog”, is een van zijn bekende uitspraken. Hij was – u weet het - zoon van een Duits-joodse moeder uit Antwerpen en een Oostenrijks-Hongaarse vader die werkte voor de roofbank Lippmann Rosenthal & Co; beiden overleefden de oorlog. Een gecompliceerde erfenis.
De geschiedenis van Amsterdam in de oorlog is evenzeer gecompliceerd te noemen, met aan de ene kant de Februaristaking en aan de andere kant het gegeven dat zo vele Amsterdamse joden zijn afgevoerd. De schrijver en de stad zijn er door getekend. In Voer voor Psychologen schrijft hij over Amsterdam-Zuid: “Naar alle kanten strekken zich de straten uit met namen van Renaissanceschilders. In bijna al deze straten ben ik vroeger wel eens geweest met mijn moeder, bij joden die er niet meer zijn.”
Ook de vele andere geschriften die Mulisch aan de oorlog wijdde, getuigen van die gecompliceerde erfenis. Het zijn boeken die al door verschillende generaties zijn gelezen om inzicht te verkrijgen in de immense kwaadaardigheid van het Derde Rijk.
Dames en heren,
Amsterdammers houden niet van mensen met kapsones. Iedereen die naast zijn schoenen loopt, krijgt dat onmiddellijk en onverbiddelijk te horen. Amsterdammers hebben feilloos door wanneer iemand gewichtig doet of wanneer iemand gewichtig is. Mulisch dééd misschien gewichtig, maar hij wás het zeker. Hij beschikte niet alleen over een fenomenaal schrijftalent, maar ook over het talent om zich bewondering te laten welgevallen. Amsterdammers beschikken over het talent om hun bewondering ietwat te maskeren, maar stiekem waren zij maar wat trots op hun Mokumse muzenzoon Mulisch, de wereldberoemde schrijver uit hun stad. En deze week bleek uit de talloze reacties dat de inwoners ook echt trots op hem zijn. Burgemeester Van Thijn gaf in 1992 al gestalte aan die trots door hem de zilveren medaille van de stad uit te reiken.
Wij Amsterdammers gedenken - samen met Spijkenisse en Emmeloord - Harry Mulisch met grote eerbied en genegenheid, en wij wensen de zijnen sterkte nu zij hun weg zonder hem verder gaan. Van hem moeten wij vandaag afscheid nemen; zijn boeken neemt niemand ons af.