Toespraak 21 juni 2011: Amsterdam, kansen voor een derde Gouden Eeuw

Kruimelpad

 

Toespraak 21 juni 2011: Amsterdam, kansen voor een derde Gouden Eeuw

22 juni 2011
 - 
Hanane Lechkar

Amsterdam, kansen voor een derde Gouden Eeuw

Amsterdamlezing van burgemeester Eberhard van der Laan, juni 2011

(Alleen het gesproken woord geldt)

1. Inleiding

Dames en heren,

Amsterdam bestaat over 14 jaar, in 2025, 750 jaar[1]. Regeren is vooruitzien zegt men en dus zijn er achter de schermen al mensen bezig met brainstormen over een eventuele viering in 2025. Dat lijkt misschien wat overdreven, 14 jaar van te voren, maar we willen absoluut geen herhaling van 2008 toen de kranten kopten "Amsterdam vergeet 200 jaar hoofdstad" en "Amsterdam ziet 200 -jarig jubileum over het hoofd". Wie het zich nog herinnert weet dat ik geen grapje maak.

Zonder dat ik deze ‘feestcommissie' in de weg wil zitten - het zijn niet de minsten die zich hierover buigen overigens - benut  ik deze gelegenheid graag om vooruit te kijken èn terug te kijken.  Zoals u kunt opmaken uit de titel ("Kansen voor een derde Gouden Eeuw") gaat dit verhaal niet over de gevolgen van de wereldwijde financiële en economische crisis. Niet omdat de situatie in Europa geen zorgen baart. Ook niet omdat de bezuinigingen die het Rijk beoogt geen gevolgen gaan hebben voor de gemeentebegroting en dus ook voor de Amsterdammers. Deze lezing gaat niet over de gevolgen van de financiële crisis omdat er ondanks die crisis in de Amsterdamse regio sprake is van groei en er kansen zijn voor nog meer groei.

Nederland kende vanaf de laatste decennia van 16de eeuw een periode van fenomenale groei  aangeduid als de Gouden Eeuw. Een andere bloeiperiode was de tweede helft van de 19de eeuw. Amsterdam werd in de 17de eeuw in korte tijd een zeer belangrijk handelscentrum in de wereld. Graag neem ik u mee naar die periode. Niet zozeer om nog eens na te genieten, maar om te leren: als we kansen op groei willen benutten, wat zijn dan de succesfactoren, wat zijn de do's en don'ts?

Om met een ‘don't' te beginnen: In de Gouden Eeuw zaten burgemeesters in een groep van tien tot twaalf mannen om tafel die zichzelf de Vroedschap noemde. Dat waren doorgaans koopmannen die naast het besturen van de stad druk bezig waren zichzelf te verrijken en daar schaamde men zich niet voor.  Grondspeculatie was een hobby van deze koopmannen/burgemeesters die bijvoorbeeld met voorkennis lappen grond aan de Amstel kochten en verkochten. Economische groei ging in de eerste Gouden Eeuw vóór alles: zelfs de term roverskapitalisme wordt gebruikt. Voor de cynische grappenmaker die zich afvraagt wat het verschil is met het hedendaagse bestuur: daar kom ik straks op.

Omdat ik nu op een paar weken na één jaar burgemeester ben, begin ik met een paar dingen te noemen die me zijn opgevallen, en dan vooral in de manier waarop Amsterdam wordt beschouwd door expats en buitenstaanders. Vervolgens wil ik terug naar de omslag die nog niet zo heel lang geleden plaatsvond, van krimp naar groei van steden: de nieuwe verstedelijking. Hoe pakt dat uit voor deze regio? Daarna maken we een sprong terug naar het verleden, naar die (eerste) Gouden Eeuw. Wat leidde destijds tot die ongebreidelde groei? Zaten daar ook beïnvloedbare factoren bij of was het - simpel gezegd - een geluk (bij een ongeluk)? Dan ga ik kort nog in op wat de historici inmiddels de tweede Gouden Eeuw noemen, de tweede helft van de 19de eeuw.

Ten slotte zal ik ingaan op de vraag hoe we de kansen op groei zouden kunnen benutten, en onder welke voorwaarden. Dan gaat het niet alleen om economische voorwaarden maar ook om maatschappelijke en bestuurlijke voorwaarden.

2. Een jaar burgemeester

Een van de dingen waar een nieuwe burgemeester nieuwsgierig naar is, (waar Amsterdammers in het algemeen nieuwsgierig naar zijn) is hoe buitenstaanders de stad percipiëren. Expats, CEO's van buitenlandse bedrijven, ik heb ze steeds gevraagd: Wat brengt u hier?

De reacties waren zonder uitzondering lovend over het Amsterdamse leef- en vestigingsklimaat. Een CEO van een gerenommeerd Amerikaans reclamebureau (TAXI) vroeg zijn 150 werknemers of zij hem zouden volgen naar Amsterdam als nieuwe vestigingsplaats. 149 mensen zeiden ‘ja'. Indiase expats vertelden trots dat ze hier gemiddeld twee keer zo lang blijven als in andere landen, omdat ze het hier naar de zin hebben. De voorzitter van de Amerikaanse kamer van Koophandel zei dat Amsterdam op Amerikanen net zoveel aantrekkingskracht kan hebben als Londen en Parijs.

Het werd duidelijk dat Amsterdam (de metropoolregio Amsterdam moet ik zeggen) goede kaarten heeft als het gaat om één van de echte gateways van Europa te zijn. Ik werd me ook veel bewuster van het gevolg van globalisering, het zogeheten footloose worden van mensen en bedrijven: dat zij meer dan ooit kunnen kíezen waar ze willen wonen en werken en dat de toekomst vooral is aan de steden en regio's waar ze dat graag doen.

Het werd ook heel duidelijk dat het daarvoor noodzakelijk is dat Amsterdam de juiste internationale allianties aangaat. De economische groei van wat de BRIC - landen worden genoemd (Brazilië, Rusland, India en China) is fenomenaal. Brazilië groeide in 2010 met 7,5 % per jaar, Rusland met 4%, China en India beide met ruim 10%. Ter vergelijking: Europa groeide gemiddeld 1,7%, waar Nederland met 1,8% maar nauwelijks boven uitstak. Er waren, dankzij mijn voorganger en het vorige College, al goede internationale contacten vanuit Amsterdam met China en India. Daar bouwen we op voort. Naast China en India ben ik in Brazilië geweest. Ook heb ik Turkije bezocht dat in 2010 een groei van 8,7 % had. Deze bezoeken en alle ontmoetingen daar bevestigen zonder uitzondering twee dingen:

1) alles maar dan ook alles in deze landen is gefocust op economische groei.

2) Amsterdam komt voor veel bedrijven die de Europese markt willen betreden in aanmerking als vestigingsplaats. Het is al één van de echte gateways naar Europa.

In 2008 kregen we 105 bedrijven uit het buitenland, in 2009 115 en in 2010 122. Deze groei is substantieel. Overigens merk ik hier op dat we ook onze oude vriendschappen in ere moeten houden: zoals met de VS, Duitsland, Groot Brittanië, Japan en Korea.

3. Economische ontwikkeling van de stad

Deze indrukken en gesprekken maakten dat ik er steeds meer van overtuigd raakte dat Amsterdam een volgende Gouden eeuw tegemoet zou kunnen gaan als we de goede dingen zouden doen en de slechte zouden laten. Dat bleek (bij ondernemers) vaak in behoorlijk goede aarde te vallen. Daarover ging ik praten in speeches en interviews. Maar er was natuurlijk ook scepsis. Zo schreef de door mij gerespecteerde Kees Tamboer in het Parool dat er van de typische Amsterdamse kleinschaligheid niets over blijft als deze dromen uitkomen en dat de kans dàt die uitkomen gering is. Hij sprak van  'grootspraak van de burgemeester'. Au. Gelukkig worden mijn uitspraken over de gunstige uitgangspositie van Amsterdam  en de hieruit voortvloeiende positieve perspectieven, gedeeld door diverse wetenschappers, en ondersteund door studies van het CBP en de OECD[2]. Harvard professor Edward Glaeser heeft  er interessante boeken over geschreven zoals recent ‘The triumph of the city'. Uit eigen land komt onder meer de  lezenswaardige CPB studie van onder andere Henri de Groot en Coen Teulings: Stad en land, waarin de groei van steden wordt geplaatst in het licht van de zich ontwikkelende kenniseconomie. De omvangrijke CPB studie uit 2009 ‘The Netherlands in 2040' komt tot vergelijkbare conclusies.

Welke economische ontwikkeling hebben steden doorgemaakt de afgelopen decennia?

Nog maar enkele decennia geleden stond het voor velen vast: de grote stad had zijn beste tijd had. Er was tussen pakweg 1960 en 1990 sprake van forse krimp in veel westerse steden. Times Square in New York was een verlopen plein met leegstaande panden en seksshops. In Amsterdam daalde de bevolking tussen 1960 en 1988 met maar liefst 21%. Vooral gezinnen verruilden de stad voor een van de groeikernen: Purmerend, Almere, Lelystad. Dat werd niet persé als probleem beschouwd; de bouw van groeikernen was mede een kwestie van bewuste ruimtelijke planologie.

De opkomst van het digitale tijdperk zorgde voor nieuwe dagdromen: vanuit je boerderijtje op het platteland of doorzonwoning in een Vinexwijk kon je de hele wereld bereiken. Het was nergens voor nodig om dichtbij voorzieningen of werk te wonen. Dankzij internet zouden we de rust en frisse lucht van het platteland prima kunnen combineren met de (virtuele) dynamiek van de grote stad.  De ontwikkeling van ICT zou leiden tot de " death of distance". Het comparatieve voordeel van de stad zou verloren zijn gegaan, wat resteerde waren stedelijke nadelen: congestie, kleine huizen, te weinig groen en dure en lastige werknemers.

Inmiddels woont meer echter dan de helft van de wereldbevolking in de steden en dat aantal neemt  alleen maar toe. Het staat vast dat urbanisatie en economische groei zelfversterkende factoren zijn: success breeds success; mensen en bedrijven trekken naar plaatsen waar mensen en bedrijven naar toe trekken. Daarmee is het verschijnsel nog niet verklaard.

In ontwikkelde economieën zoals in (west-) Europa en de Verenigde Staten  hebben na een periode van suburbanisatie en stedelijk verval in de na-oorlogse periode, vanaf midden jaren tachtig verschillende steden zich weten te herpakken en zijn een nieuwe weg van economische groei ingeslagen. Sterker nog: een aantal  van deze steden is uitgegroeid tot  krachtige economische centra die de economie van een regio of land op sleeptouw hebben genomen. Toen ik in de jaren '90 in de Amsterdamse gemeenteraad zat, gingen wij in de regio met de pet rond om te vragen of men wilde helpen om onze sociale problemen op te lossen. Als burgemeester in de 21ste eeuw zie ik het omgekeerde: de regio doet graag met de stad mee in de internationale economie.

De toekomstvisie van de thuiswerkende boerderijbewoner die slechts virtueel naar metropolen reist, is dus niet bewaarheid. De aanwezigheid van universiteiten en  hogescholen en een stevige (zakelijke) dienstensector en dus van hoogopgeleide kenniswerkers, wordt vaak genoemd als oorzaak. Uiteraard spelen nog andere factoren een rol. De aantrekkingskracht van het leven in de stad is sterker gebleken. Volgens sommigen is er juist door toenemende globalisering behoefte aan  authenticiteit, aan de beleving van een historische binnenstad. Het is zeker ook de aard van de economie die de aantrekkingskracht van steden bepaalt. De omslag van industrie en productie naar kenniseconomie verliep niet toevallig parallel aan de omslag van krimpende naar groeiende steden.

Glaeser[3] (zijn naam zal vaker vallen deze lezing) beschrijft de gevolgen van de digitale revolutie die leidt tot efficiency verbetering in transport en communicatie. Industrie hoeft zich niet langer in steden te vestigen en vertrekt langzaam maar zeker naar gebieden die goedkopere productievoorwaarden kennen: eerst naar de suburbs, dan naar de periferie en tenslotte naar het buitenland. Immers: voor industrie en productie is fysieke ruimte nodig. Vanaf eind jaren zeventig weten sommige steden en stedelijke regio's een nieuw groeipad in te slaan.

Kenmerkend voor grootstedelijke regio's is dat ze sterk zijn in het produceren en bij elkaar brengen  van ‘ideeën'. Zij kennen een sterke dienstverleningssector, veel banen voor hoger opgeleiden, een relatief hoge arbeidsproductiviteit  en een hoge bevolkingsdichtheid. Die clustering brengt behalve schaalvoordelen ook specialistatievoordelen  en een groot innovatief vermogen met zich mee. Deze steden zijn steeds meer de motor van nationale economieën.

 Ook in de Amsterdamse regio is het tij is nu al enkele decennia gekeerd. Na de crisis van de jaren zeventig en begin jaren tachtig heeft de regio die  nu Metropoolregio Amsterdam genoemd wordt (van IJmuiden tot Lelystad en het Gooi en van Purmerend tot Haarlemmermeer) zich goed hersteld. Zij behoort nu al langere tijd tot de sterkste groeiers van het land.

Amsterdam is een stad waar - in toenemende mate - internationale bedrijven zich thuis voelen. Er zijn op dit moment ruim 2100 internationale bedrijven gevestigd. De laatste jaren groeit dit aantal als gezegd met ruim 100 bedrijven per jaar.  Buitenlandse ondernemingen kiezen steeds vaker voor Amsterdam als vestiging voor hun Europese hoofdkantoor. Dat geldt overigens ook voor Nederlandse bedrijven, zoals Philips, Akzo en Heineken die hun productie elders laten plaatsvinden en voor Amsterdam kiezen als locatie voor hun hoofdkantoor. Die internationale bedrijven dragen bij aan de groei van de regio: zij zijn samen goed voor meer dan 150.000 rechtstreekse arbeidsplaatsen. Elke arbeidsplaats die wordt gecreëerd door de vestiging  van een nieuw hoofdkantoor of Marketing & Sales kantoor nog levert indirect ongeveer één baan op in de Amsterdamse regio en in de rest van Nederland.[4] Al die extra activiteiten maken dat de dienstensector constant van binnen uit innoveert. De expertise hoe de Europese markt zo slim mogelijk te bewerken groeit met iedere nieuwe klant die ze aan zich verbinden, en dat trekt weer nieuwe dienstverleners aan. Zo vormen zich clusters van expertise en innovaties.

Vorige week mocht ik een kantoor openen van de Nederlandse multinational Arcadis, gevestigd in Arnhem, dat nu een vestiging op de Zuidas heeft geopend omdat dàt de locatie is waar ze hun internationale contacten kunnen ontvangen.  Daar zitten overigens maar 40 van hun 16.000 werknemers: de 40 internationale verbinders. Hoe ver de globalisering al gevorderd is blijkt uit een voorbeeld op microniveau. De kunstenares Rianne van Duin werkt vanuit een broedplaats op de NDSM werf in Amsterdam Noord, maar zij laat haar bijzonder vormgegeven kinderboeken op eigen houtje drukken in China omdat het daar nu eenmaal goedkoper gebeurt. Zo makkelijk vinden mensen elkaar, over de hele wereld.

Amsterdam is, kortom, een kleine wereldstad. Een stad met grootstedelijke kwaliteiten waar de menselijke maat, en het menselijk kapitaal als belangrijkste grondstof, niet uit het oog zijn verloren. Een compacte stad. In een lezing verwoordde Edward Glaeser het vrij simpel: "De toekomst binnen Europa is aan Londen, Parijs en ook aan de Randstad met Amsterdam als culturele en creatieve kern".[5]

Wat hielp Amsterdam tot dusver om deze gunstige uitgangspositie te krijgen? Ik noem zes factoren die van groot belang zijn geweest:

  • 1. Gunstige sectorstructuur:

Een economie waarin handel en zakelijke dienstverlening, ondersteund door een sterke en internationaal georiënteerde financiële sector al van oudsher een toonaangevende positie had.  Hiermee is zowel financieel kapitaal aanwezig als de kennis en kunde van het internationaal zaken doen en de bijbehorende ondernemers- en handelsgeest. Daarnaast kennen we een goed ontwikkelde ICT, Creatieve industrie, logistiek en toeristische sector (4,5 miljoen toeristen per jaar). Met Life sciences en Flowers hebben we twee in omvang beperkte maar interessante sectoren in huis. 

  • 2. Bevolkingsgroei/woningbouw:

Onder leiding van Jan Schaefer en met  hulp van het Rijk is Amsterdam er in geslaagd om in de jaren tachtig de uitstroom van inwoners naar de groeikernen af te remmen en haar inwoners aan zich te binden door een uitgebreid programma van stedelijke vernieuwing en woningbouw.  Over die stedelijke vernieuwing is altijd veel discussie geweest: nieuwbouw of renovatie, lage dichtheden met veel licht, lucht en groen of hoge dichtheden met veel voorzieningen? Een ander twistpunt was vóór of tegen de auto. Er is gekozen voor een balans waarbij uiteindelijk steeds rekening is gehouden met de leefbaarheid en behoud van cultureel erfgoed.

  • 3. Aantrekkelijk voor talent:

De stad is aantrekkelijk voor jong talent. Niet alleen door de aanwezigheid van universiteiten maar ook door het culturele aanbod, door horeca  en uitgaansmogelijkheden, door parken en fietspaden.  De in de jaren tachtig ook in Nederland ontdekte nieuwe stedelijkheid leidde tot een zichtbare dominantie van de ‘creatieve klasse'  van Richard Florida, dat wil zeggen: hoger opgeleiden. Er zijn bijna 55.000 studenten aan twee universiteiten, een aantal belangrijke onderzoeksinstituten, en twee hogescholen, ruim 55% van de Amsterdamse beroepsbevolking is hoger opgeleid.

  • 4. Bereikbaarheid

De directe nabijheid van een luchthaven waarvan de ontwikkelingsmogelijkheden al vroeg zijn onderkend en door gemeenschappelijk gemeentelijk, regionaal en Rijksbeleid goed zijn benut. Dit heeft geleid tot de ontwikkeling van een internationaal vooraanstaande en innovatieve luchthaven die zorgt voor een wereldwijde connectiviteit met meer dan 300 bestemmingen waaraan maar weinig andere steden kunnen tippen. Wist u dat Amsterdam in Europa de meeste directe vluchten heeft op China? Uniek is de ligging dicht bij de stad. Binnen één uur van je kantoorstoel in je vliegtuigstoel is een realistische slogan. Daarnaast heeft Amsterdam de vierde haven van Europa, op slechts 80 kilometer van de tweede haven van de wereld: die van Rotterdam.

  • 5. Belastingklimaat

Misschien was de opmerking van de president van de VS van een paar jaar geleden dat Nederland een belastingparadijs zou zijn, een tikkeltje overdreven. Wel heeft Nederland voor ondernemingen een relatief lage belastingdruk en is er veel zekerheid vooraf. Er zijn met maar liefst 160 landen belastingverdragen.    

      5.     Een elite die betrokken is bij de stad

 Amsterdam mag zich gelukkig prijzen met een elite die betrokken is bij het wel en wee van de stad en open staat voor verandering en vernieuwing.

Richard Florida beschrijft het onvermogen van Pittsburgh, ooit een van de krachtigste industriële centra van de Verenigde Staten, om zich te transformeren tot een moderne economie. Dat werd mede veroorzaakt door het ontbreken van verbindingen tussen de economische elite (de grote ondernemers) en de culturele en intellectuele elite geconcentreerd rond de universiteiten.[6]

Het is niet alleen van belang  de connectie tussen de economische en culturele en intellectuele elite te stimuleren, het is ook van belang dat de elite maatschappelijke betrokkenheid toont. Ook daarvan heb ik talloze voorbeelden gezien: van de Rotary die ober is bij het jaarlijkse Leger des Heils diner en de Ahold directeur die in Amsterdam Noord een opvanghuis heeft geadopteerd, tot tal van initiatieven van particulieren op het gebied van kunst en cultuur: Hermitage, het De La mar, Het grachtenhuis.

  • 6. Een open & tolerante stad

Amsterdam heeft de naam een tolerante, vrijzinnige stad te zijn; een associatie die men overal ter wereld herkent. Dan bedoel ik niet alleen een stad waar men open staat voor buitenstaanders en waar vrijwel iedereen engels spreekt. Ook een stad waar heel verschillende mensen uitdrukking kunnen geven aan hun seksuele identiteit, mening of godsdienst; met welke uiterlijke kenmerken dan ook. Deze typisch Amsterdamse waarde is eeuwenoud maar heeft tegelijkertijd altijd onder druk gestaan. Zo verbleef Spinoza weliswaar in  Amsterdam vanwege het tolerante klimaat, maar werd hij hier toch uit de geloofsgemeenschap verstoten. Zo moeten wij vandaag nog altijd mensen beschermen tegen discriminatie; op straat, op scholen en op het werk. Desondanks zei Spinoza omstreeks 1670, en mooier kan ik het niet verwoorden:

"De stad Amsterdam kan ons tot voorbeeld dienen, die tot haar eigen sterke groei en tot bewondering van alle natie de vruchten van deze vrijheid proeft. In deze bloeiende staat (de Republiek der Verenigde Nederlanden) en voortreffelijke stad immers leven alle mogelijke mensen van iedere natie en geloofsrichting met de grootste eendracht samen.." (einde citaat)

Is deze periode van grote globale verschuivingen een goed moment om tevreden achterover te hangen?

Integendeel. Van de 15-20 grootstedelijke regio's in Europa die op dit moment internationale bedrijven en kenniswerkers aantrekken, blijven er op termijn slechts een handvol over die een mondiale rol zullen spelen. Dat is de voorspelling van economen die het voorgevoel van ondernemers zoals KLM directeur Peter Hartman onderschrijven. Het is dus niet alleen wenselijk om te blijven behoren tot de zogenaamde ‘gateways to Europe'; om niet achterop te raken is het ook noodzakelijk.

Tot zover de ontwikkeling van de stedelijke economie van de afgelopen decennia die Amsterdam maakte wat het nu is. Nu terug naar de eerste Gouden eeuw.

4.  Wat kunnen we opsteken van de 1ste Gouden Eeuw?

Amsterdam telde in 1578 25.000 inwoners; in 1622 100.000 en in 1750 ongeveer 170.000. Daarmee haalde Amsterdam in sneltreinvaart een aantal Europese steden in en zij moest rond 1650 alleen Londen en Parijs qua inwonertal voor zich dulden. Het Bruto regionaal product werd in die tijd nog niet bijgehouden maar inwoneraantallen zijn een redelijk betrouwbare indicator  voor economische voorspoed; dat zegt immers ook iets over arbeidspotentieel[7]. Hoe kwam die ongekende groei tot stand? Zoals vaker in het leven was er een aantal oorzaken, deels autonome ontwikkelingen (of exogene factoren) en deels een kwestie van de juiste keuzes. Om te leren van de Gouden Eeuw zijn we uiteraard vooral in dat laatste geïnteresseerd, voor de context is het ook goed om kort in te gaan op de omstandigheden.

Autonome ontwikkelingen

Halverwege de 16de eeuw waren het de Zuidelijke Nederlanden waar de economie bruiste; met een bloeiende textielindustrie  en Antwerpen als belangrijkste exportcentrum. De Opstand tegen het Spaanse gezag maakte daar eind 16de eeuw een einde aan. Natuurlijk de val van Antwerpen en de afsluiting van de Schelde maar vooral ook de tientallen jaren oorlog en plunderende legers hadden een vernietigend effect op de hele regio. Dat had verschillende gevolgen. Ten eerste moesten de Hollanders nu zelf op pad voor de producten die voorheen via Antwerpen naar Holland werden verscheept. Dat betekende een radicale uitbreiding van de handel- die voorheen alleen op de Noord- en Oostzee was gericht- naar zo ongeveer de rest van de wereld: van Brazilië tot China. Ten tweede bracht het een enorme vluchtelingenstroom op gang van Zuid naar Noord, veelal naar Amsterdam: in korte tijd zijn er ruim 100.000 mensen gemigreerd. Daaronder bevonden zich ook kapitaalkrachtige kooplieden die hun kennis  van- en ervaringen met de overzeese handel meebrachten, èn hun netwerk: contacten in de nieuwe overzeese gebieden. Dat gold overigens ook voor de Sefardische joden uit Portugal en later de Hugenoten uit Frankrijk, die vanwege religieuze vervolging eigen land ontvluchtten.

Behalve door het inwoneraantal - de Antwerpse bevolking daalde van 100.000 inwoners midden 16de eeuw tot 42.000 in 1587[8]- zijn  er nog andere factoren waar aan de respectievelijke groei en krimp goed is af te lezen: de huurprijzen explodeerden in Amsterdam en daalden spectaculair in Antwerpen.  Zoals ook tegenwoordig het grondprijsverschil veelzeggend  is: op het platteland in Oost Groningen is de grond 200 maal zo goedkoop als in de Amsterdamse binnenstad.

De arbeidsmarkt groeide uiteraard: de handelsector en alle beroepen die daarbij horen. De groei van Amsterdam betekende ook een enorme toename in de detailhandel, voedsel, en de verzorgende ambachten; van kleermakers tot barbiers. Ook zorgde een koopkrachtige elite voor de groei van de vraag naar luxeartikelen; diamanten en parfum, en kunst. Het culturele aanbod werd een magneet voor de omgeving van Amsterdam. Ik citeer uit 'Geschiedenis van Amsterdam':

"..En uit het ommeland kwamen ze ook naar de stad voor het grote aanbod aan allerlei soorten cultuur: de schouwburg, rijk gesorteerde boekhandels, spectaculaire ontvangsten van buitenlandse vorsten en diplomaten, uitbundige vieringen van vredesverdragen, doolhoven en talloze herbergen en drankholen."

Amsterdams beleid

De val van Antwerpen gaf, wrang genoeg, de Amsterdamse handel een gigantische impuls. Er waren nog andere gunstige voorwaarden; een traditie van scheepvaart, een goede beschutte haven, goede verbindingen met de binnenlanden,  uitstekende informatievoorziening in de vorm van nautische en cartografische kennis èn.. een sterke handelsmentaliteit. Amsterdamse bestuurders van de 16de en 17de eeuw - ik heb al beschreven wat voor een types dat doorgaans waren - hadden wel zinnige ideeën over groei:

Ten eerste werd de toegankelijkheid van Amsterdam gewaarborgd. Er waren voor migranten minder restricties om inwoner te worden dan elders gebruikelijk was. Je kon de Amsterdamse handel in zonder formeel burgerschap (poorterschap) te hebben verkregen. Verder waren er collectief gefinancierde voorzieningen ten gunste van de handel, zoals de beurs en de wisselbank vanaf 1609, maar ook een juridisch stelsel: een benadeelde koopman kon verhaal komen halen bij het gemeentebestuur en er was voor kooplieden zelfs een verkorte juridische procedure. Er was een armenkas en er waren voorzieningen voor werklozen; geen overbodige luxe voor de vele seizoensarbeiders die in de scheepvaart werkzaam waren. Het gemeentebestuur zag zich door de komst van de vele tienduizenden migranten gedwongen tot snelle uitbreiding van haven en stad. Dat ging overigens ongeveer gelijk op; waar de haven werd uitgebreid met wat nu het oostelijk en westelijk havengebied heet, werd  de stad uitgebreid met de Grachtengordel en de Jordaan.

Het economisch beleid van Amsterdam was dus uitstekend toegesneden op wereldhandel. Tegelijk kende Amsterdam een textielindustrie, nijverheid en uiteraard een grote scheepvaartindustrie. Niet dat hier de grootste innovaties plaatsvonden, hoewel dat in de beleving van veel Amsterdammers soms anders ligt... Het beroemde Fluitschip dat groter en sneller was dan alle schepen daarvoor, en daardoor een belangrijke bijdrage leverde aan de groei van de scheepvaart, is in Hoorn uitgevonden en in Amsterdam voor het eerst op grote schaal gebruikt. Dat geldt ook voor onze andere grote trots: de financiële beurs en de Wisselbank: beide bestonden al in Noord- Italië en zijn gewoon afgekeken. Het was hier in Amsterdam dat bestaande innovaties slim werden toegepast en daarmee ook als uitvinding wereldfaam verwierven. Wat dat betreft is Amsterdam misschien wel te kenschetsen als het China van de 17de eeuw..

Een bekend voorbeeld van wèl een echte Amsterdamse innovatie is de VOC als rechtspersoon. Toen de eindelijk de rechtstreekse route naar Oost- Indië was ontdekt, en de Portugese handelsboycot was opgeheven, was de concurrentie al gauw moordend. Schepen mochten in die tijd maar een paar uur aanleggen in de Amsterdamse haven, om snel weer plaats te maken voor het volgende schip. De buit moest verdeeld worden en de winst verdunde. De oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in 1602, maakte aan die concurrentie een einde.

Tweede Gouden eeuw

Amsterdam blijft nog lange tijd belangrijk centrum voor de wereldhandel maar die positie wordt in de 18de eeuw geleidelijk overgenomen door Londen. Aan het begin van de 19de eeuw was de internationale status zodanig gedaald dat Amsterdam de derde of vierde stad in Europa was. Over de oorzaken zal ik niet lang uitweiden; de afscheiding van België en de Franse overheersing speelden een rol maar ook het feit dat de Engelsen en Fransen hun oorlogsactiviteiten verruilden voor economische activiteiten.

Amsterdam staat stil: de net gebouwde Plantagebuurt blijft leeg, het gemeentebestuur is blut.

Dat duurt tot ver in de 19de eeuw. Dan breekt een periode aan die wel wordt aangeduid als de Tweede Gouden Eeuw. Industrialisatie en overzeese handel maken de stad weer welvarend en dat leidt ertoe dat zij qua inwoners uit de wallen barst. De bevolking groeit van zo'n 250.000 naar  750.000 inwoners. Het is de tijd van de grote projecten: Noordzeekanaal, Amsterdam-Rijnkanaal, de stoomtrein en het Centraal Station, vernieuwing van de haven. Vaak is er sprake van burgerinitiatieven: rijke mecenassen die zich sterk betrokken voelen bij de stad initiëren en financieren grote projecten de Stadsschouwburg, het Concertgebouw,  Artis en het Vondelpark. De expansie is weer fenomenaal. De 19de eeuwse ring wordt gebouwd en later, begin 20ste eeuw, het Plan Zuid, gevolgd door het beroemde Algemeen UitbreidingsPlan (AUP) van de jaren dertig.

5.  Kansen voor een derde Gouden Eeuw

Zo-even heb ik de goede uitgangspositie van de Amsterdamse economie geschetst op grond waarvan Amsterdam, ondanks (of juist vanwege) haar beperkte schaalgrootte,  in de toekomst een toonaangevend economisch centrum in Europa kan blijven of worden. Zoals wij uit de ervaringen  van de twee voorgaande  Gouden Eeuwen leren,  kan dat niet door op de lauweren te rusten. Wat moeten we doen?

Bevolkingsgroei

Het Centraal Plan Bureau voorspelt dat de bevolking van  Amsterdam - ondanks vergrijzing die ook hier plaatsvindt, en trend naar kleinere gezinnen onder allochtonen  - in 2040  met zo'n 100.000 -150.000 inwoners is toegenomen tot 850.000- 900.000. Diezelfde demografen stellen vast dat de groei vooral wordt veroorzaakt door instroom van jongeren en afgestudeerden uit Nederland, en een toename van buitenlandse migranten, waarbij er een trend is ingezet dat de verblijfsduur korter is en dat er immigratie is uit economisch sterke landen: de EU en andere westerse landen. De bevolking van Amsterdam groeit, wil graag dichtbij voorzieningen wonen, en heeft per persoon behoefte aan steeds meer vierkante meters. (Hoezo veeleisend...) Overigens zijn dat - zoals ik eerder aangaf - zeker geen lokale trends maar past dat in de verstedelijking die overal ter wereld plaatsvindt.

Deze prognoses dagen ons uit om ons denken over de stad te herijken. Het CPB stelt vast[9] "Karakteristiek  voor de Nederlandse bestuurlijke verhoudingen is het beleid gericht op nieuwe groeikernen en het in toom houden van groei in de grote steden..".

Zou het misschien kunnen dat het groeikernenbeleid van de jaren 60 en 70 na de revival van de (compacte) stad nu echt zijn belangrijkste tijd heeft gehad, en dat we moeten stoppen met het toom houden van grote steden? Ik zeg dat - ik onderstreep het nog maar een keer - niet uit megalomane overwegingen, maar op grond van de feiten. Amsterdam de ruimte geven als groeiregio heeft een gunstige invloed op de ontwikkeling van Nederland, ook - nee: juist - op de regio's die nu bekend staan als krimpregio's. Ik kom daar straks op terug.

Wat moeten we doen; hoe vergroten we die kans om tot die paar geconcentreerde Europese groeiregio's, of gateways,  te gaan horen in de nieuwe mondiale verhoudingen? Wat moet Amsterdam doen, of juist laten om zich in deze kopgroep te komen, in het belang van de stad, de regio en ons land?

Internationale acquisitie en samenwerking.

Al eerder noemde ik het belang van internationale allianties. We moeten nu onze banden met de BRIC landen versterken, zoals we 300 jaar geleden de zeeën trotseerden op zoek naar goud en geluk. Het is een momentum. Er gebeurt gelukkig al veel. De aanwezigheid van Amsterdam in Business, een voortvarende club ambtenaren bij de gemeente die zich - in samenwerking met andere gemeenten in de regio - bezighoudt met onder andere internationale acquisitie, heeft mij aangenaam verrast. Zoals ook het expatcenter; een unicum in Nederland waar IND en gemeente gezamenlijk zorgen voor een warme ontvangst en het wegnemen van bureaucratische belemmeringen, zodat, net als in het 17de eeuwse Amsterdam, handelaren zich hier welkom weten en direct aan de slag kunnen. Het centrum wordt door expats gewaardeerd met een 8.7!

Waar Amsterdam vaak door internationale uitstraling en naamsbekendheid de kar kan trekken, is de samenwerking met andere binnenlandse regio's van groot belang. Een voorbeeld. Afgelopen voorjaar gingen wij naar Xiamen, in China. Omdat de Chinese ambassadeur te kennen gaf dat men graag op het gebied van land- en tuinbouw de internationale samenwerking wilde versterken, is vanuit Amsterdam contact opgenomen met de universiteit van Wageningen. Dat heeft er toe geleid dat de Wageningse bestuursvoorzitter met kennis van de Chinese landbouwvraagstukken is meegereisd met onze Amsterdamse delegatie. Hij zei letterlijk: "Wat goed dat we nu onze kennis kunnen combineren met het merk Amsterdam!" Via hem kwamen wij in contact met multinationale zaadveredelingsbedrijven in de kop van Noord-Holland. Ook zij zitten al diep in China en andere landen. In augustus gaan ze mee naar Beijing net als de deskundigen van Flora Holland. Voor de langere termijn is de basis gelegd voor een stevige samenwerking. Een ander voorbeeld van samenwerking die voor het grijpen ligt is met Eindhoven. Technologie, en R&D zijn daar heel goed. In Amsterdam zit de Creatieve Industrie en zijn we goed in marketing. Dat is samen een mooi huwelijk. Zo zijn er heel veel verbanden.

Zuidas

Wat kunnen we nog meer doen? Een groeiregio heeft eyecatchers nodig en Nederland heeft er vele, waarvan een aantal in Amsterdam. Zoals men in de 17de eeuw een indrukwekkende haven binnenvoer en al gauw het imposante stadhuis zag liggen, zo ziet de 21ste eeuwse handelsreiziger naar Nederland doorgaans als eerste  de Zuidas. Voor degenen die dat nog niet wisten: de Zuidas is geen Amsterdamse hobby maar een Nederlandse noodzaak. Er is zo langzamerhand wel consensus in Nederland over het feit dat één elegant en multifunctioneel internationaal kantorenpark op acht treinminuten van Schiphol  te verkiezen is boven vele rommelig verspreidde kantoren door het hele land. Dus is het nu hoog tijd voor de volgende stap: het afronden van de discussie en gezamenlijk toewerken naar een Zuidas met de allure van het Rockefeller Centre in New York. Dan is het overigens wèl nodig dat we de A10, de trein en de metro onder de grond brengen.

Talent aantrekken en opleiden

Al eerder gaf ik aan dat meer en meer duidelijk wordt dat economische ontwikkeling afhankelijk is van menselijk kapitaal: hoe meer slimme jongens en meisjes, hoe beter. Het gaat overigens om talent op alle niveaus en zowel van binnen als van buiten de stad. We prijzen ons gelukkig met twee goede universiteiten, die door goed samen te werken en hun programma's op elkaar af te stemmen, ook met de onderzoeksinstituten van de KNAW, steeds beter in staat zijn om op onderdelen Europese topkwaliteit te bieden. Het is economisch noodzakelijk, maar ook sociaal wenselijk dat wij natuurlijk ook onze eigen jongeren zo goed mogelijk opleiden, overigens voor iedereen op zijn of haar eigen niveau.

Innovatie stimuleren

Vernieuwing van de economie is essentieel, waardoor het niet alleen op dit moment goed gaat met de economie, maar gebouwd wordt aan de toekomst.  Vandaar dat wij de Economic Development Board van de metropoolregio Amsterdam hebben opgericht; mijn voorganger Job Cohen en wethouder Gehrels speelden daarbij een belangrijke rol. In de Board streven wij naar nauwe samenwerking tussen  overheden, kennisinstellingen en het bedrijfsleven. Als universiteiten op dezelfde terreinen onderzoek doen als waar bedrijven met nieuwe producten bezig zijn, is er meer kans op wederzijdse bevruchting en komt kennis sneller bij de markt. Huiselijk gezegd: van kennis, via kunde naar kassa. Daar zijn we nog niet goed in. De OECD constateerde nog niet zo lang geleden[10] dat bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden in deze regio teveel met de rug tegen elkaar staan. Als je ontmoetingen wil uitlokken moet je wel focus aanbrengen. Je kunt niet in alles uitblinken. We hebben gekozen voor zeven clusters die in de Amsterdamse regio sterk aanwezig zijn èn groeipotentie hebben: Creatieve Industrie, ICT, financieel/zakelijke dienstverlening, Food & flowers, Toerisme& congressen, Life Sciences en Logistiek. In de Board zijn we bezig om keuzes te maken. Of beter: om objectief vast te stellen waar we goed in zijn en waar we de eer aan anderen zoals Utrecht of Eindhoven moeten laten en vruchtbare samenwerking kunnen zoeken. We hebben gezegd dat we verschil kunnen maken met wat we iconen noemen: bijvoorbeeld méér doen met open data; en een creatieve campus in Amsterdam. Aanstaande vrijdag zullen we deze discussie in de Board afronden en onze eerste conclusies naar buiten brengen; daarmee is het ook onze inzet voor het landelijke innovatiebeleid van minister Verhagen.

Deze aanpak sluit goed aan bij het beleid van het ministerie van EL&I, hoewel het uiteraard jammer is dat de financieel-zakelijke dienstverlening ondanks de substantiële bijdrage van 33 % aan het Bruto Nationaal Product niet is aangewezen als topsector. Belangrijker is dat het Rijk onderkent - en ik ben er van overtuigd dat dat het geval is - dat  deze sector in het belang van Nederland ruimte gegund moet worden voor groei.

Woningen

Zoals  gezegd  was een van de eerste maatregelen in reactie op de instroom van migranten het aanleggen van de grachtengordel en de Jordaan. Overigens was dat ook in de Tweede Gouden eeuw de passende reactie van het stadsbestuur. Het Amsterdams Uitbreidingsplan (AUP)  zoals de stadsuitbreiding werd genoemd, was planologisch zó vernieuwend dat het aandacht van over de hele wereld trok. De Structuurvisie van wethouder Maarten van Poelgeest beschrijft de compacte, groene stad met de extra woningen zoals noodzakelijk met oog op de genoemde trends van 21ste eeuw. Dat laat onverlet dat wij wel wat obstakels moeten overwinnen als het om wonen gaat.

Een kenmerk van een aantrekkelijke stad is dat er sprake is van spanning op de woningmarkt. De prijzen schieten de lucht in. De eerder genoemde Edward Glaeser geeft aan dat steden als Boston, New York en San Francisco hun eigen groei afremmen door een te restrictief bouwbeleid, waarbij het bouwen van woningen in voldoende dichtheid ( dat wil zeggen hoog de lucht in) onvoldoende of niet wordt toegestaan.  Dat leidt tot verlies van een deel van de groeipotentie. Dit in tegenstelling tot steden zoals Atlanta, Houston, die veel meer toelaten.[11]Waar de Vroedschap in de 17de eeuw adequaat reageerde op de bevolkingsgroei door snelle stadsuitbreidingen, zo zouden bovengenoemde demografische voorspellingen ook moeten leiden tot passende reactie. Met 'passend' bedoel ik dat de nieuwkomers niet in verre buitenwijken zonder voorzieningen willen wonen. De stad is toch vol, zult u misschien zeggen. Maar anders dan soms wordt gesuggereerd willen niet alle mensen een huis met een tuintje. Vraag maar aan de bewoners van de prijswinnende woontorens aan de Sloterplas, aan de bewoners van de Oostelijke eilanden met uitzicht over stad en IJ. Amsterdam mag de lucht in; uitgezonderd de beschermde binnenstad uiteraard. Dat lijkt logisch maar stuit nog op enige weerstand. In 2007 schreef stedenbouwkundige Willem Hartman het boek De Vloeibare Stad, waarin hij aantoonde dat niet ruimtegebrek, maar het altijd weer vínden van nieuwe ruimte in de stad onze eeuwenoude praktijk is: de A10 heeft dezelfde maat als de Périphérique in Parijs. Daar binnen wonen vier keer zoveel mensen als in Amsterdam. Toch is Parijs een mooie stad met veel open ruimte en groen.

Veel gehoorde kritiek (ook bijvoorbeeld van de OECD in 2007)  is dat bovendien de Amsterdamse woningmarkt behoorlijk verstoord is. Amsterdam kent een omvangrijke sociale huursector en een koopsector die historisch gezien erg klein was en inmiddels is gegroeid tot zo'n 25% van de totale woningvoorraad. De vrije-huursector is slechts zo'n 6% van de woningvoorraad. Een te laag percentage voor een grote groep van woningzoekenden, met als gevolg prijsopdrijving. Dat is een grote domper voor de nieuwe en relatief jonge werknemers uit binnen- en buitenland. De prijsopdrijving  leidt er toe dat  er een groot gebrek is aan huurwoningen tussen de 600 en 1000 euro/maand. Hierdoor wordt het voor de jonge academicus uit Groningen, of de ICT er uit Hongarije heel moeilijk om zich in Amsterdam te vestigen. Het is tegelijkertijd wel goed ons te realiseren dat je in Londen en Parijs het veelvoudige moet neertellen voor een woning, De helft van onze woningen zijn in eigendom van door ons gewaardeerde woningcorporaties. Een substantieel deel daarvan gaat nu, met de nieuwe plannen van minister Donner, vrije sectorwoning worden. Ik ben er zeker van dat we met de corporaties kunnen afspreken dat deze huren niet in één keer zullen doorschieten, zoals minister Donner lijkt te willen. Liever zien we, zoals wethouder Ossel al heeft aangegeven,  lokaal huurbeleid, waarbij je vooral kunt inzetten op extra maatregelen (flexibele huren) om genoeg woningen bereikbaar te krijgen voor lagere èn voor hogere inkomens.

Ik heb een actief internationaal acquisitiebeleid genoemd, een innovatieve economie, een hoog opgeleide bevolking en voldoende woningen. Behalve deze zaken  is er nog iets dat we moeten waarborgen. Dat laatste is  het onderdeel van een leefbare stad wat het dichtst bij mensen staat: dat zijn voorzieningen. Onder die noemer wil ik, als laatste deel van deze lezing, een aantal basisvoorwaarden noemen zonder welke die groei naar een volgende gouden eeuw zinloos is maar waarschijnlijk ook niet mogelijk zou zijn.

6.  Verantwoordelijke hoofdstad

Het is niet ondenkbaar dat in de 16de eeuw Amsterdammers stonden te juichen bij de val van Antwerpen. Er is - ook in die tijd - wel verweten dat Amsterdam niet genoeg deed om de Opstand in het Zuiden te steunen en passief heeft toegekeken hoe Antwerpen - destijds de belangrijkste havenstad van Europa - ten val kwam.

Een verbolgen Antwerpenaar, Andries van der Meulen, zei het in 1584 zo:  "Ende nochtans het principaelste is te weten dat den rijckdom ende den coophandel diverteert van dese stadt in Hollant. O onghetrouwe menschen, Godt en zal U onghestraft niet laten die ghij vergelt onse trouwe met Uwe ontrouwe, voor goet het quaet. Wij worden vast alle onsen rijckdom quyt, insonderheyt die van de religie."

Ofwel: De handel en rijkdom zullen zich van Antwerpen ('dese stadt) naar Holland verplaatsen en Van der Meulen wijt dat aan de ontrouw van de Hollanders, die eventjes de andere kant opkeken toen Antwerpen door de Spanjaarden ten val werd gebracht. Opportunisme is Amsterdam niet vreemd; zie de kanonnen op het dak van het Trippenhuis; u weet waarschijnlijk dat de wapenhandel - nota bene ook met onze vijand Spanje - in deze tijd een lucratieve business was voor Amsterdam.

Eerder gaf ik al aan hoe niets ontziend het streven naar economische groei was. Het kan nooit kwaad om ook die spiegel nog eens voor ons te houden.

We hebben de afgelopen jaren gezien dat financieel (wan)beleid uit hebzuchtige motieven nog geenszins is verdwenen van het wereldtoneel. Toch is er wel een andere opvatting van groei dan de Vroedschap in de 17de eeuw had. Dat zit hem in een twee dingen die zo eenvoudig zijn dat zelfs een burgemeester ze kan bedenken.

Ten eerste moeten we steeds voor ogen houden dat economische groei geen doel op zich is. Het is niet welvaart maar welzijn waar we naar streven. Een gemeenschap van welvarende stedelingen die in vrijheid en verantwoordelijkheid samenleven; dat is wat we willen in 2025. Er zullen altijd mensen  zijn die achterin de rij staan, maar wij willen niet dat zijn op of zelfs onder de armoedegrens leven. Nu geldt dat voor één op de vier Amsterdammers.

Dat bereiken we niet alleen met de acquisitie van internationale bedrijven en het bouwen van woningen, hoewel beide zeker noodzakelijk zijn zoals ik heb betoogd. Van minstens even groot belang zijn veiligheid, leefbaarheid en voldoende kwalitatief hoogwaardige voorzieningen. Daar wil ik kort iets over zeggen.

  • Een aantrekkelijke stad is een veilige stad.  Amsterdam is nog niet veilig genoeg. Te vaak hebben we afgelopen jaar machteloos moeten aanhoren hoe jonge mensen met veel geweld - soms zelfs met dodelijke afloop - pakten wat ze wilden: in een overval, inbraak, in winkels of huizen, of op straat. Samen met de zorg- en jeugdpartners willen we deze groep stevig aanpakken. Tegen crimineel gedrag van deze jongeren wordt consequent, snel en streng opgetreden. Voor een groep van 600 meest gewelddadige criminelen wordt de weg naar criminaliteit afgesneden. Daadwerkelijke lik-op-stuk en een goede straf - zorg combinatie moeten dat doen. Ook moeten we er voor zorgen dat niet telkens nieuwe en jongere kinderen zich crimineel gaan gedragen. De termijn die we ons daarvoor hebben gesteld is twee jaar. Binnen die twee jaar moet de overheid het terrein in de stad hebben terugverdiend. Alle 600 namen op de lijst hebben we door de "wasstraat" gehaald, en achter nagenoeg elke naam staat een concreet resultaat. Op weg naar wat wethouder Van Es noemt de ‘hoffelijke stad'.
  • Een aantrekkelijke stad is een stad waar alle kinderen goed onderwijs krijgen: wethouder Asscher zet zich daar met hart en ziel voor in, de eerste resultaten zijn er. Een stad waar overigens ook uitstekende zorg is; we zien hier grote uitdagingen op ons afkomen. Niet alleen vanwege de vergrijzing (Amsterdam moet ook voor senioren een toplocatie zijn) maar ook de overheveling van taken van het Rijk naar de gemeente. Wethouder van der Burg trekt zich het lot aan van iedere oudere in de stad alsof het zijn eigen vader of moeder is.
  • Een aantrekkelijke stad is een schone stad, in meerdere betekenissen van het woord. Een stad zonder mondkapjes, met parken en bomen. Een stad waar we, dankzij wethouder Wiebes, straks 50% meer luchtkwaliteit hebben voor tweederde van het geld. Een goed onderhouden stad, waar beheer van de openbare ruimte geen sluitpost is. Een duurzame stad waar we de energie uit afvalverbranding gebruiken om trams op te laten rijden en waar we dankzij Daimler Benz straks 300 elektrische Smarts hebben.
  • Ten slotte is een aantrekkelijke stad een bruisende stad. Een stad met een rijk cultureel leven; met toporkesten, toptheater en topmusea. En natuurlijk een rijk gevarieerde horeca, van de typisch Amsterdamse kroeg waar de oud-president van de VS onlangs nog van kwam genieten, tot de bekende podia en de tien nieuwe uitgaansplekken waar je, als het aan het College ligt, straks de hele nacht uit je dak kunt gaan.

Verantwoordelijke hoofdstad betekent echter ook: oog voor krimpgebieden. De groei van de stedelijke regio's gaat - en ook hierin is Nederland niet uniek- samen met een krimp van plattelandsgebieden. De bevolking in Oost- Groningen, Delfzijl en omgeving en Zeeuws- Vlaanderen daalt al sinds 2004, in Zuid Limburg zelfs al sinds 1998. 60% Van de Nederlandse gemeenten zal te lijden krijgen van krimp. Dat is een groot probleem, omdat met krimp ook de verdiencapaciteit weg valt die nodig is om problemen op te lossen. Daardoor ontstaat een extra verantwoordelijkheid voor het rijk, en dat kijkt dan primair naar de groeigebieden, en dus ook naar Amsterdam.

De aantrekkelijkheid van Amsterdam is nationaal bezit. Wij zijn er trots op de hoofdstad te zijn. Maar dat schept ook een verantwoordelijkheid tegenover de rest van Nederland. We moeten Nederland optimaal laten mee profiteren van wat hier gebeurt. En dat lukt ook. Elke euro die in deze metropoolregio wordt verdiend en besteed, rolt voor een deel ook weer door naar andere delen van het land. Belangrijk is dat we daarvoor durven te kiezen. Het geld voor de transformatie waar de krimpgebieden voor staan, moet terugverdiend worden door de economische motor van Nederland, de regio Amsterdam. Tegelijk: als er niet wordt geïnvesteerd in de economische motor, houdt Amsterdam zijn internationale positie niet vast in de context van de Europese economie - en dat heeft op zijn beurt consequenties voor de betaalbaarheid van de herstructureringsopgave van de krimpgebieden. Er moet een goede balans gevonden worden in de investeringen.

Verantwoordelijke hoofdstad heeft nog meer betekenissen. Een ongedeelde stad zijn betekent dat iedereen profiteert van groei. De omslag die ik eerder beschreef wordt door wetenschappers ook wel aangeduid als de omslag van ‘productiestad' naar ‘consumptiestad'.  Hoewel ik begrijp wat ermee bedoeld wordt: namelijk een stad met een groot en breed aanbod van horeca, winkels en cultuur, schiet de term mijns inziens tekort. Zij suggereert namelijk dat er alleen geconsumeerd wordt. Maar zoals eerder aangegeven is de arbeidsproductiviteit in deze steden hoger dan gemiddeld.  Een consumptiestad biedt namelijk werkgelegenheid op álle niveaus. Niet alleen in de dienstverlening, maar ook in het onderwijs en de zorg waar de komende jaren arbeidsplaatsen open zijn. Ook in de zogenaamde ‘maakindustrie' die zo mooi te koppelen valt aan onze clusters creatieve industrie en ICT: denk aan de ateliers en webdevelopers die nodig zijn. We streven naar groei waar alle Amsterdammers in alle delen van de stad- van Nieuw West, Noord en Zuidoost - van moeten kunnen meegenieten. En verder daarbuiten: alle Nederlanders. 

Als Amsterdam een verantwoordelijke hoofdstad is, hebben we op onze buitenlandse reizen ook iets te bieden. Ik noemde eerder al als kenmerk van de BRIC landen de ongekende, hongerige groei; een klein beetje zoals de Amsterdamse koopmannen/ burgemeesters in de 17de eeuw. Die groei is indrukwekkend - die streven ons in no-time in een aantal opzichten voorbij. Als oude stad in het oude continent zou je haast geneigd je zwak te voelen. Dat is niet nodig. Wat Europese steden zoals Amsterdam kunnen bieden aan India, Brazilië en China is onze ervaring met democratie, onze kennis van duurzaamheid en van sociale voorzieningen. Wees reëel: ook wij kennen problemen maar getto's hebben we niet, laat staat sloppenwijken. Onze opvatting van groei, die niet nietsontziend is en die gepaard gaat met verantwoordelijkheid. Om die redenen kunnen we de wereld met zelfvertrouwen tegemoet treden.

Dames en heren, deze lezing ging niet over de economische en financiële crisis maar voor de goede verstaander ging hij er tegelijkertijd wèl over. Natuurlijk worden we allemaal - in meer of mindere mate - geconfronteerd met de gevolgen van de crisis. Juist daarom is nu het moment om ons zelfvertrouwen op te vijzelen en de vele sterke kanten van de stad te zien, net als de kansen die dat biedt. De feestcommissie die er voor zorgt dat Amsterdam in 2025 reden heeft voor een goed feest, dat zijn wij allemaal.

Literatuurlijst

Stad en land, Henri de Groot, Gerard Marlet, Coen Teulings, Wouter Vermeulen, 2010

Geschiedenis van Amsterdam 1578-1650, onder redactie van Willem Frijhoff en Maarten Prak

Edward Glaeser, The Triumph of the City, New York: The Penguin Press, 2011

Clé Lesger, Handel in tijden van Opstand, 2001

Doug Sanders, de trek naar de stad, 2010

Geert Mak, Een kleine geschiedenis van Amsterdam. Amsterdam: Uitgeverij Atlas, 1995, herziene druk 2005.

Jonathan I. Israel, The Dutch Republic, Its Rise, Greatness, and Fall 1477 - 1806. Oxford: Clarendon Press, 1995.

Jan de Vries & Ad van der Woude, Nederland 1500 - 1815, De eerste rond van moderne economische groei. Amsterdam: Uitgeverij Balans, 1995.

Peter J. Taylor, World City Network, A Global Urban Analysis London/New York: Routledge, 2004.

[1]           Op 27 oktober 1275 verleent Graaf Floris V het recht van tolvrijheid ‘ aan lieden die nabij de Amsteldam verblijven'. Stadsrechten zijn waarschijnlijk rond 1300 verkregen (zie Mak (995, p. 19-21)

[2]  Ter Weel e.a., 2009; De Groot e.a., 2010, OECD  HEI review, 2010

[3]  In "Did the Death of Distance Hurt Detroit and Help New York?"  

[4]  Onderzoek Berenschot 2007

[5]  Lezing prof Glaeser  bij presentatie CPB rapport 2010

[6]  Florida, 2002, p.304

[7]  Geschiedenis van Amsterdam 1578-1650

[8]  Clé Lesger, Handel ten tijde van Opstand, 2001

[9]  'Stad en land', CPB 2010

[10]  OECD, Higher education and regional development, 2010

[11]  Glaeser, 2011