Gesproken woord telt.
Speech Spinoza-dag 2011, 20 november 2011 Paradiso
Geachte dames en heren,
Ik ben verheugd dat ik opnieuw dit bijzondere verjaardagsfeest van Spinoza in Paradiso mag openen. Vanaf 2007, de viering van zijn 375ste geboortedag, ben ik vrijwel elk jaar van de partij geweest. De bijeenkomsten zijn altijd een mooie mix van kennisuitwisseling en actualiteit. Aan de sprekers na mij laat ik altijd de bespreking van het thema van vandaag over - de vrije wil. Als wethouder sta ik voor Spinoza én voor de stad en voor de kunst in een moeilijke tijd. Een nieuw hervormingskader opstellen is in deze tijd geen eenvoudige opgave. Daarbij laat ik mij inspireren door veel mensen, uit heden en verleden. Spinoza is daarbij altijd in mijn gedachten. Ongekend actueel is zijn denken. Het hedendaagse debat gaat over de waarden van de Verlichting. Waarden als tolerantie, vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid, broederschap, solidariteit. Mooie termen, maar werken ze nog in de praktijk? Verbinden ze ons nog?
Deze kwestie heeft Bas Heijne ter discussie gesteld in zijn boek Moeten wij van elkaar houden - het populisme ontleed. Hij laat zien dat veel mensen zich niet meer herkennen in deze waarden. Ze zijn te abstract en staan te ver af van de eigen beleving. De humanistische opdracht van het alle mensen zijn broeders en zusters, staat in schril contrast met ergerlijk gedrag van je buurman, dat je dagelijks beleeft en verafschuwt.
Bas Heijne probeert het populisme te begrijpen. En begrijpen is iets anders dan vergoelijken. En het is ook iets anders dan vanuit een gevoel van superioriteit en morele zelfgenoegzaamheid de reëel aanwezige spanningen in de samenleving te ontkennen.
Ik citeer Bas Heijne:
"Misschien hoeven we niet van elkaar te houden. Misschien hoeven we elkaar niet eens aardig te vinden. De ware humanist laat zich geen knollen voor citroenen verkopen, die weet waarmee hij te maken heeft: de mens. De menselijke natuur ontkennen, weet hij, is even gevaarlijk als erin zwelgen. Tussen die twee smadelijke uitersten moet hij nu ferm zijn positie innemen."
Hier klinkt onmiddellijk Spinoza in door. Gaan we terug naar het rampjaar 1672, naar de brute moord op de gebroeders de Wit. Door deze gebeurtenissen nam Spinoza zich voor de menselijke natuur nog beter te observeren en te beschrijven en zich, ik citeer, ‘over deze menselijke gedragingen niet vrolijk te maken, noch daarover te rouwen of ze te verachten, doch enkel ze te begrijpen'.
Spinoza onderzoekt de menselijke aard op dezelfde wijze als hij de natuur onderzoekt. De menselijke hartstochten zijn geen gebreken van de natuur, maar eigenschappen van de natuur ‘die evenzo tot haar behoren als dat hitte, koude, storm, donder en dergelijke tot de natuur van de lucht behoren'. Hoewel deze eigenschappen ongemakkelijk zijn, zijn zij toch onvermijdelijk en hebben zij oorzaken die wij moeten proberen te begrijpen.
In zijn Ethica heeft Spinoza uitvoerig aangetoond dat menselijke hartstochten wel te reguleren zijn, maar niet uit te schakelen. Het verstand kan deze intomen, maar in beperkte mate en de weg daartoe is steil. Dit geldt voor het volk, maar evenzo voor de volksvertegenwoordigers. Zij die denken dat mensen uitsluitend volgens de rede kunnen leven, geloven volgens Spinoza ten onrechte in een soort ‘sprookjestoestand'.
Spinoza is geen utopisch denker, hij is een realist. Daarin onderscheidt hij zich van de grote denkers van de Verlichting als een utopisch project. Het ‘durf te denken' van Kant, mondt uiteindelijk uit in de bevrijding van de mensheid uit zijn zelfgekozen onmondigheid. De rede is de gids.
Misschien is het daar ook fout gegaan, zegt Bas Heijne, "bij de neiging om de Verlichting als een geloofsleer op te vatten, in plaats van een levenshouding, een moeizaam en onzeker streven om onze al te menselijke aanvechtingen in goede banen te leiden. Er zijn nu eenmaal tegenstellingen die niet op te heffen zijn".
Historici als Jonathan Israel en Philipp Blom plaatsen de realist Spinoza dan ook in een andere traditie. Als founding father van de onderstroom of tegenstroom van de Verlichting, als inspirator van de radicale Verlichting.
Philipp Blom laat ons in zijn zeer onderhoudende boek Het Verdorven Genootschap meeleven met de spilfiguren van de radicale verlichting in de Parijse salons in de 18e eeuw: de filosofen Diderot en baron Holbach. Zij waren de samenstellers van het grootste filosofische project uit de geschiedenis: de Encyclopedie. Hierin wilden zij alle kennis uit hun tijd bijeen brengen, een missie die Diderot na 28 delen voltooit.
Blom (pag. 22): "Dat het denken van deze radicale denkers ook nu nog zo vruchtbaar is, komt door de kracht, de eenvoud en de morele moed die erachter zitten. "
Blom laat zien dat hun radicale materialisme en atheïsme schatplichtig is aan Spinoza's filosofie van de ene substantie, God of de Natuur. Een wereldbeeld waarin de Bijbel geen geopenbaarde waarheid is maar een historisch werk. Een wereldbeeld waarin geen plek is voor wonderen, maar deze een gebrek zijn van onze kennis van de natuur. Een wereldbeeld waarin elke vorm van religie bijgeloof is.
Maar ook een wereldbeeld waarin de rede niet meer is dan een instrument. Voor Diderot en Holbach wordt het leven primair door de hartstochten bepaald, door primaire driften als genot en pijn. Irrationele krachten zijn te begrijpen en bij te sturen, maar niet te onderdrukken. Ook in deze denkbeelden klinkt Spinoza door.
Rede en hartstocht zijn bij de radicale denkers van de Verlichting meer in evenwicht dan bij de gematigden. Ze waarderen verlangens positiever en geven ruimte aan emoties als empathie en compassie. Voor de radicale verlichters is het verlangen zelf een natuurlijke bron van samenwerking, het verlangen dat gedeelde behoeften mensen kunnen samenbinden, en dat empathie er voor zorgt dat ze elkaar helpen. Zij geloven in educatie, scholing en solidariteit. Niet van bovenaf opgelegd, maar door kennis en ervaringen uit te wisselen over natuur, wetenschap en kunst. Iets waar zij met hun Encyclopedie en hun salons aan bijdroegen.
Terug naar Bas Heijne.
We hoeven niet van elkaar te houden als we niets voor elkaar voelen. Je alleen beroepen op abstracte waarden als gelijkheid, broederschap of zoiets als de ‘rechtstaat', voldoet niet meer. Want solidariteit moet je voelen. Er is geen samenleving mogelijk als ieder zich in zijn eigen groep terugtrekt, op zijn eigen gelijk. Om Heijne te citeren: "Wie uit afkeer van de toenemende emotionaliteit de rechtstaat ver buiten het dagelijks gewoel probeert te houden praat in het luchtledige. Er moet een nieuw vertrouwen in de rechtstaat opgebouwd worden, met meer aandacht van een doorleefde werkelijkheid".
Hoe dit vertrouwen opgebouwd kan worden laat hij zien aan de hand van het fenomeen van de rijdende rechter mr Visser. Een rechter op locatie bij kleine zaken, die in de beleving van mensen echter zeer ingrijpend zijn, zoals burenruzies. Meestal krijgen ze geen gelijk, maar mensen worden gehoord, en dat is voor de meesten al heel genoeg. Nabijheid, herkenbaarheid, dialoog.
Blom (pag. 27): "De denkers aan de rue Royale gingen uit van de gedachte, briljant verwoord door Holbach, dat het narcistisch is om te geloven dat er een Voorzienigheid is, een hogere intelligentie, omdat anders het leven geen zin zou hebben. Daar stelden zij tegenover dat we moeten aanvaarden dat het bestaan van homo sapiens zinloos is.
Pas daarna kan ieders zoeken naar genot en vluchten voor pijn het begin worden worden van een gemeenschappelijk verhaal. Het besef dat niemand een eiland is, gekoppeld aan een sterk gevoel van empathie, leidt rechtstreeks naar een moraal waarin het gaat om wederzijdse solidariteit en maatschappelijke zingeving."
Mensen kunnen niet samenleven zonder enig gemeenschappelijk recht, stelt Spinoza. De natuurlijke fundamenten van een staat moeten echter niet gezocht worden in de argumenten van de rede, maar afgeleid uit de gemeenschappelijke natuur.
Laten we met elkaar blijven proberen hier ook in ons dagelijks leven gevolg aan te geven door de gemeenschappelijke natuur in de stad te definiëren, bijvoorbeeld in de cultuur. Want verdwijnt de verbeelding, dan sterft de stad. En dat zal niet Spinoza's bedoeling zijn geweest. En ook niet die van ons.
Tot volgend jaar.