
Bij de aanvraag van een bouw- en/of aanlegvergunning kan duidelijk worden dat uw bouwproject bodemverstoring met zich meebrengt. In dat geval moet worden vastgesteld of er sprake is van een archeologische vindplaats. De bouwwerkzaamheden kunnen immers gevolgen hebben voor eventuele archeologische overblijfselen. Volgens de Monumentenwet 1988 is de aanvrager van de aanleg- en bouwvergunning als bodemverstoorder verantwoordelijk voor het noodzakelijke archeologische programma.
Archeologie in stappen
Bureau Monumenten & Archeologie (BMA) gaat uit van een gefaseerde aanpak. Hierdoor kan per plangebied op basis van de aard van de bodemingreep een op maat gesneden advies worden opgesteld. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een bureauonderzoek en de verschillende vormen van veldonderzoek. Elke fase wordt afgesloten met een selectiebesluit, waarin wordt aangegeven hoe de volgende stap in het archeologietraject moet worden ingevuld.

[~] Download Archeologie in stappen
Archeologische signaleringskaart
Voor de gebieden waar archeologie nog niet in het bestemmingsplan is opgenomen, vormt deze kaart een eerste check of een gebied is vrijgesteld van archeologisch onderzoek of dat een bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. Vergunningverleners van de stadsdelen hebben zo de mogelijkheid om zelf een eerste archeologietoets uit te voeren.
Bureauonderzoek
Met een bureauonderzoek (BO) wordt de archeologische verwachting van een bestemmingsplangebied of bouwlocatie geïnventariseerd. Voor een bestemmingsplan worden de verwachtingen vertaald naar een kaart met archeologische beleidszones. Voor iedere zone geldt ofwel vrijstelling van vervolgonderzoek, of een regel waarin staat wanneer archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is, afhankelijk van oppervlakte en diepte van de bodemingreep. Als er sprake is van een concrete bouwlocatie waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, kan BMA een archeologische waardestelling maken. Dat kan in de vorm van een brief (als er al beleidsregels voor dat gebied zijn geformuleerd) of als Quickscan. In dat laatste rapport worden net als in een bestemmingsplan-BO de archeologische verwachting en waarde vastgesteld. Een Quickscan en adviesbrief zijn kosteloze waardestellingen, aan een uitgebreid BO zitten wel kosten verbonden.
Programma van Eisen
Vaak volgt uit een archeologisch waardestelling vrijstelling van verder onderzoek. Als de conclusie toch luidt dat vervolgonderzoek dient plaats te vinden, dan moet een Programma van Eisen (PvE) worden opgesteld. Daarin zijn de kwalitatieve randvoorwaarden en onderzoeksvragen voor het archeologisch veldwerk vastgelegd. In het PvE wordt tevens beschreven of archeologische overblijfselen in de bodem bewaard kunnen blijven of dat opgraven van deze resten noodzakelijk is (selectiebesluit). Dit vormt de basis voor verdere planning en kostenraming. Het PvE is onderdeel van de bouwprocedure en het opstellen ervan behoort tot de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer van het bouwplan.
Archeologisch veldonderzoek
Als fysiek behoud van de vindplaats niet realiseerbaar is, is een veldonderzoek nodig. Hierbij zijn, afhankelijk van de archeologische verwachting en het bouwplan zelf, verschillende varianten denkbaar. Er kan sprake zijn van een Inventariserend Veld Onderzoek (IVO), een kortlopende ingreep om de verwachting uit het bureauonderzoek (BO) te toetsen. Of een Archeologische Opgraving (AO), bedoeld om de archeologische resten nauwkeurig te documenteren en te bergen als behoud in de bodem niet mogelijk is. Een derde variant is de Archeologische Begeleiding (AB), een onderzoek op beperkte schaal. De duur van archeologisch veldonderzoek (IVO, AO en/of AB) is afhankelijk van de omvang en de ligging van de bouwlocatie.
Amsterdamse Archeologische Rapporten
De onderzoeksgegevens worden gepubliceerd in de opgravingsverslagen, de zogenaamde Amsterdamse Archeologische Rapporten (AAR).
Informatie en advies
Voor meer informatie en advies op maat kunt u contact opnemen met Bureau Monumenten & Archeologie.