2.2 Wijze waarop werkzaamheden in de openbare ruimte plaatsvinden (ex Artikel 5 verordening WIOR)

Kruimelpad

 

2.2 Wijze waarop werkzaamheden in de openbare ruimte plaatsvinden (ex Artikel 5 verordening WIOR)

1. (Graaf)werkzaamheden in de directe nabijheid van kabels en leidingen moeten door de vergunninghouder met de betrokken KLB worden afgestemd.

Toelichting

Het coördinatieproces voorziet hierin. Bij kleine werkzaamheden die niet het coördinatieproces doorlopen kan de afstemming worden geïnitieerd door het doen van een KLIC-melding.

2. De vergunninghouder dient er zorg voor te dragen dat de werkzaamheden veilig worden uitgevoerd en dat de werkzaamheden minimale hinder geven. CROW 96B ‘Werk in uitvoering’, CROW 250 'Graafschade voorkomen aan kabels en leidingen’ en het Handboek ‘Zo Werken Wij In Amsterdam - Op straat’ dienen hiertoe als leidraad.

3. De vergunninghouder dient de toegankelijkheid voor nood- en hulpdiensten, brandvoorzieningen en (nood)uitgangen van woningen en (openbare) gebouwen te garanderen. Doorrijbreedte is minimaal 3.50 meter. Doorrijhoogte is minimaal 4.20 meter.

Toelichting

De doorrijbreedte en –hoogte zijn bij werkzaamheden belangrijke voorschriften van de brandweer. Overige standaard voorschriften van de brandweer zijn te vinden op de website van de brandweer Amsterdam-Amstelland.

4. De vergunninghouder dient er zorg voor te dragen dat kabels, leidingen en toebehoren zoals kasten, putten, brandkranen en afsluiters bereikbaar blijven.

5. De vergunninghouder moet materialen, materieel en stoffen binnen het werkterrein houden en moet voorkomen dat deze hinder voor de omgeving geven, conform de daarvoor geldende wettelijke regels.

Toelichting

Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan regels op het gebied van veiligheid en gezondheid (V&G), arbeidsomstandigheden en geluidhinder, zoals opgenomen in de milieu- en arbowetgeving.

6. De vergunninghouder dient het werkterrein en/of de openbare weg schoon en opgeruimd te houden tijdens de werkzaamheden en schoon en opgeruimd achter te laten wanneer er geen werkzaamheden plaatsvinden.

7. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor het verwijderen van bouwstoffen, restmaterialen en opstallen, waaronder vrijgekomen of niet meer terug te plaatsen grond, na uitvoering van de eigen werkzaamheden.

8. De vergunninghouder dient het werkterrein zo in te richten dat dit goed zichtbaar en veilig is.

9. De vergunninghouder zorgt ervoor dat het verkeer ongehinderd en veilig langs het werk wordt geleid. Randvoorwaarden daarbij dienen afgestemd te worden met de vergunningverlener.

10. De vergunninghouder mag kortdurende werkzaamheden op hoofdnetten niet in de spits uitvoeren, uitgezonderd in geval van calamiteiten. De spitsperiodes lopen van 6.30 - 9.30 uur en van 15.30-19.00 uur.

11. De vergunninghouder doet al het nodige om de werkzaamheden zo uit te voeren dat gemeentelijke en particuliere eigendommen, zoals bomen, straatmeubilair en kabels en leidingen, geen schade ondervinden.

12. Indien verplaatsing, uitbreiding of verwijdering van gemeentelijke eigendommen, zoals openbare verlichting, straatmeubilair en railinfrastructuur nodig is, dan dient de vergunninghouder dit tijdig voorafgaande aan de werkzaamheden af te stemmen met de vergunningverlener.

13. De vergunninghouder dient werkzaamheden aan kunstwerken, zoals bruggen, viaducten, walmuren, tunnels en sluizen tijdig voorafgaande aan de werkzaamheden af te stemmen met de beheerder van het betreffende kunstwerk. De vergunningverlener verstrekt op verzoek contactgegevens van de betreffende beheerder(s).

14. De vergunninghouder mag zonder uitdrukkelijke toestemming van de vergunningverlener geen belastingen aanbrengen op of in de invloedsfeer van kunstwerken, zoals dekken en/of constructies van bruggen en walmuren en op of in de invloedsfeer van ondergrondse bouwwerken, zoals parkeergarages.

15. De vergunninghouder dient werkzaamheden onder of in de directe nabijheid van railinfrastructuur tijdig voorafgaande aan de werkzaamheden af te stemmen met de beheerder van de railinfrastructuur. De vergunningverlener verstrekt op verzoek contactgegevens van de betreffende beheerder.

16. De vergunninghouder mag geen werkzaamheden in de openbare ruimte uitvoeren indien als gevolg van weeromstandigheden, zoals strenge vorst, herstel van de openbare ruimte of het uitvoeren van werkzaamheden niet meer mogelijk is.

17. Als wordt gewerkt in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water zijn de regels volgend uit de Wet Bodembescherming en richtlijnen zoals CROW 132 van toepassing. Voorgenomen graafactiviteiten dienen in elk geval altijd tijdig te worden gemeld bij de Dienst Milieu en Bouwtoezicht.

Toelichting

Meer informatie over de geldende procedures vindt u op de website van Dienst Milieu en Bouwtoezicht.

18. Bij werkzaamheden aan wegverhardingen dient de vergunninghouder zich te houden aan de ‘Procedure milieukundige onderzoeken bij wegverhardingen’, waarvan de laatste versie terug te vinden is op de website de Dienst Milieu en Bouwtoezicht.