Hoofdnavigatie
- Nadere Regels WIOR
- 1. Inleiding
- 2. Algemene uitvoeringsvoorschriften
- 3. Coördinatieproces
- 4. Financiële Regelingen
- Begrippenlijst
- Afkortingen
1. Kabels en leidingen dienen zo gesitueerd te zijn dat zij een minimale ruimte in beslag nemen, maar zo dat zij elkaar niet hinderen en dat onderhoud aan en vervanging van kabels en leidingen mogelijk blijft tegen de laagst maatschappelijke kosten.
2. Voor tracébepaling zijn de daartoe landelijk geaccepteerde richtlijnen, zoals relevante NEN normen, van toepassing. Hierbij geldt voor distributiekabels en -leidingen onderstaande volgorde (achtereenvolgens van gevel naar midden weg):
Op www.coordinatiestelsel.amsterdam.nl is een (niet uitputtend) overzicht van richtlijnen en normen. Onderstaand schema geeft een versimpeld beeld van de ondergrondse volgorde van verschillende soorten kabels en leidingen in een gemiddeld profiel.
3. Kabels en leidingen van verschillende modaliteiten dienen in lengterichting niet boven elkaar gesitueerd te worden in verband met veiligheid en bereikbaarheid van de onderste kabels en leidingen.
4. De minimale dekking van kabels en leidingen dient te zijn (van diep naar minder diep)
soort kabel of leiding |
transport (m) |
distributie (m) |
huisaansluiting (m) |
| elektriciteitskabels | 1.00 -1.20 | 0.60-0.70 | 0.50 |
| warmte / koude staal
warmte / koude kunststof |
1.25
|
0.70
1.00 |
0.50
0.50 |
| waterleiding | 1.00 | 0.80 | |
| afvoer afvalwater | 0.80 | 0.80 | 0.34 (lengte< 15 m) |
| gas – kunststof
gas – staal |
0.80
0.80 |
0.65
0.65 |
0.50 |
| verkeersinstallaties | 0.60 | ||
| telecommunicatie kabels | 0.60 | 0.50 – 0.60 | 0.50 |
5. Ter voorkoming van schade en vanwege de bereikbaarheid bij verstoppingen geldt voor riolering huisaansluitleidingen dat deze over alle andere kabels en leidingen heen onder vrij verval moeten kunnen afvoeren naar het distributieriool.
6. De locatiebepaling van voorzieningen ten behoeve van kabels en leidingen, zoals verdeelstations, omvormingsstations, meterkasten, onderstations en dergelijke gebeurt vanuit het uitgangspunt van een goede ruimtelijke inpassing. De vergunningaanvrager dient voorafgaand aan de vergunningaanvraag te overleggen met de vergunningverlener teneinde tot een goede inpassing van voorzieningen te komen.
Het coördinatieproces voorziet in dit overleg.
De volgende opties zijn denkbaar:
7. Bij onvoldoende ruimte of andere knelpunten bepaalt de vergunningverlener na overleg met betrokken partijen de oplossing. De oplossing wordt beargumenteerd vastgelegd in de vergunning of het instemmingsbesluit.
Het coördinatieproces voorziet in dit overleg.
8. De ligging van kabels en leidingen dient zodanig te zijn dat kabels en leidingen en bomen elkaar niet hinderen, ook niet bij onderhoud en vervanging.
Praktische uitgangspunten hierbij en mogelijke maatregelen zijn te vinden in de CROW-publicatie 'Infrastructuur en Bomen'.
9. Kruisingen van kabels en leidingen dienen zo veel mogelijk onder een rechte hoek met een minimale afstand van 0.20 meter tussen de kruisende kabels en leidingen te worden aangelegd.
10. Boringen en persingen van kabels en leidingen dienen te worden aangelegd op een minimale afstand van 1.00 meter ten opzichte van bestaande distributieleidingen en 0.50 meter ten opzichte van bestaande distributiekabels (zijkant boring en persing tot buitenkant kabel of leiding). Bij transportkabels en -leidingen dient nader overleg met de betreffende KLB plaats te vinden.