In het kort
Amsterdam.nl maakt een rondgang langs bekende en minder bekende gemeentediensten - bedrijven en stadsdelen. We praten met een jonge en een oudere medewerker. Wat maakt hun werk zo interessant? En wat is er veranderd in vergelijking met vroeger?
Op deze pagina
Amsterdam.nl maakt een rondgang langs bekende en minder bekende gemeentediensten - bedrijven en stadsdelen. We praten met een jonge en een oudere medewerker. Wat maakt hun werk zo interessant? En wat is er veranderd in vergelijking met vroeger?
Alleen aan het uiterlijk kun je de verschillen al zien. Albert van Tol (51) kleedt zich zoals je dat van een vuilnisman gewend bent. Grijze broek, t-shirt, oranje-witgestreept lichtgevend vest. Davy Sterkeboer (26) ziet er met zijn spijkerbroek en zorgvuldig piekende haar uit alsof hij een avondje gaat stappen. Hij is dan ook 'in burger', zoals dat heet, en mag zich officieel 'milieucontroleur' noemen. Negen jaar heeft hij daarvoor gestudeerd, naast zijn werk bij de Afvalinzameling, de oude Reinigingsdienst. Niet dat Albert niet regelmatig heeft moeten blokken, want tegenwoordig kun je nauwelijks meer 'gewoon vuilnisman' zijn. Davy: 'Mensen denken dat het simpel werk is, maar voor alles wat je doet heb je een certificaat nodig. En dat krijg je niet zomaar. Zeker de laatste jaren is iedereen eigenlijk aan het leren.'
Balletjesploeg
Desalniettemin blijft Davy een uitzondering. Hij kwam hier negen jaar geleden, op de tedere leeftijd van zeventien, omdat zijn vader bij de Afvalinzameling werkte. 'Eigenlijk vond ik het maar vies. Maar het was werk en je kon er goed geld mee verdienen. En ik heb me onmiddellijk voorgenomen om zo hoog mogelijk te komen. Niet blijven hangen achter de vuilniswagen.' 'Wij denken dat Davy uiteindelijk wel directeur zal worden', grapt Albert. 'Een klein strebertje is het.' 'Ach', vindt Davy, 'of je nou thuis voor de televisie gaat hangen of een boek pakt, dat is hetzelfde.'
Hoezeer Davy ook zijn carrière aan het plannen is, voor Albert ligt dat anders. Hij kwam 'in het afval' terecht nadat hij een ongeluk kreeg als slager. Mes in zijn oog. En dat snijdt wat moeilijk. Via een tijdje in de WAO en allerlei baantjes kwam hij uiteindelijk, zo'n twintig jaar geleden, via het arbeidsbureau bij de reiniging terecht. 'Schoffelen, vegen, prikken. Als een soort Melkertbaan. Dat heette toen dat je bij de balletjesploeg zat. Voor langdurig werklozen.'
Straat als vuilnisbak
Alberts tijdelijke contract werd verlengd, nog eens verlengd en opnieuw verlengd. 'Dat zou nu nooit meer kunnen', zegt Davy. 'Vroeger waren er veel minder regels dan nu.' 'Lekker werk', vond Albert het, 'vooral als je achter de vuilniswagen liep. Het was gezellig op straat. Je maakte een praatje met mensen, als het heel koud was kon je soms even schuilen en altijd was er wel iemand die een kopje koffie voor je had. Vuilnismannen werden gewaardeerd, mensen vonden het fijn dat we hun rotzooi opruimden. En dat deden we ook. We hadden nog de oude wagens en containers bestonden niet, dus alles wat op de stoep stond, konden we meenemen. En dat deden we ook. Als wij langs waren geweest, was alles hartstikke schoon. En dat bleef het. Minstens een dag of twee. Dat is nu wel anders.'
Davy: 'De ellende is eigenlijk begonnen met de containers. Ik begrijp wel dat die er gekomen zijn om het ons makkelijker te maken, maar het tegenovergestelde is gebeurd. Iedereen pleurt nu alles gewoon op straat en als wij een container moeten legen, moeten we eerst alle rotzooi er vanaf slepen voordat dat kan. Zo duurt een 'pluk', zoals wij dat noemen, veel langer dan daarvoor. En omdat we nieuwe wagens hebben, waar je niks in kunt gooien, moeten we alle losse spullen laten staan. Zo blijft het dus een zootje. En je weet: als het eenmaal smerig is, wordt het alleen maar erger. Vooral omdat tegenwoordig iedereen alles gewoon maar neer gooit. Vroeger had ik het niet moeten wagen om een snoeppapiertje op straat te gooien. Mijn moeder had me onmiddellijk een draai om mijn oren gegeven. Maar de mensen tegenwoordig behandelen de straat als vuilnisbak. Onvoorstelbaar.'
Doodmoe
Albert: 'Niemand voelt zich meer verantwoordelijk. Voor de oude Amsterdammers was dit hun stad, een plek waar ze van hielden en die ze netjes behandelden. Nu is het asociaal geworden. Je krijgt ook weinig respect meer. Je wordt dagelijks uitgescholden en als je vriendelijk vraagt of iemand zijn rotzooi anders of beter of op het goede moment wil aanbieden, kun je een ram voor je kop krijgen. Negen maanden geleden ben ik met een pistool bedreigd. Ik reed chemisch afval en een minuut of drie blokkeerde onze wagen een auto van een man. Die werd daar zo ontzettend kwaad van dat hij in het handschoenenvakje ging zitten graaien en daarna met een pistool begon te zwaaien. Heel drama. Zijn vrouw probeerde hem tegen te houden en hij maar schelden. Nou, ik was wel weg, hoor.'
Davy: 'Ik had het anderhalf jaar geleden. Net zoiets. Iemand kon er niet onmiddellijk langs. Kreeg ik een kopstoot. Ziekenhuis, politie erbij, bloeden. Krankzinnig toch? Maar dat soort dingen gebeuren steeds vaker. Het is erbij gaan horen.'
Albert: 'Dat vind ik wel frustrerend. Want wat kun je eraan doen? Ja, we hebben agressiecursussen gekregen. Daar leer je afstand nemen, rust uitstralen, tot tien tellen. Maar eigenlijk is het natuurlijk van de gekke. Wij doen goed werk. En vroeger was dat ook het leukste werk op de wereld. Maar die lol is er wel af.'
Davy: 'Natuurlijk word je er af en toe doodmoe van. Je probeert goed te doen en het enige dat je terugkrijgt is een grote mond. Of erger. Het lijkt niemand ook iets te kunnen schelen. Als ik als milieucontroleur mensen wijs op wat ze fout hebben gedaan, halen ze hun schouders op en lopen rustig door. Alsof ik niet besta. Alsof dit niet ook hún stad is. Maar daar kun je geen genoegen mee nemen. Ik ben daar nog wel idealistisch over. Ik weiger op te geven, weiger de stad in het afval te laten wegzakken. En zonder ons zou dat gebeuren. Wij zijn het sterkste en ooit komt het goed. Daar hou ik me maar aan vast.'