Zoeken
Pad tot huidige pagina
Verbergen
Deze site bevat alleen archiefmateriaal! Ga voor de meest actuele informatie naar Amsterdam.nl

State of the union Belliot

11 september 2002

In het kort

Dit is de speech die Hannah Belliot, wethouder van o.a. cultuur bij de opening van het Theaterfestival 2002 heeft uitgesproken. Traditiegetrouw ontvouwt een wethouder in deze "state of the union" de plannen die op het gebied van cultuur voor het komend jaar gepland staan.


Dames en heren,
Het Theaterfestival opent dit jaar met een aantal vragen over de verhouding van het theater tot de politieke benauwenissen van dit moment. Was er, vraagt de jury zich af, het afgelopen seizoen een soort verlamming binnen de theatersector? En heeft die verlamming iets te maken met een samenleving die op dit moment "angstvallig wil vasthouden wat het heeft en de grenzen daarvan wil verstevigen", zoals Juryrapport meldt? Als wethouder Cultuur van Amsterdam wil ik u, op dit moment en op deze plaats, mijn visie geven op kunst en cultuur. In het bijzonder de kunst en cultuur van deze stad en in het bijzonder de relatie tot de benauwenissen en de grenzen waaraan men probeert vast te houden. Het is een visie, dat zult u merken, waarin ik mij niet terugtrek op de grenzen, mij niet tevreden stel met het registreren en tolereren van diversiteit, maar waarin ik juist de verwevenheid van culturen en het publieke karakter van de kunsten als uitgangspunt neem.

Het gaat over onze gezamenlijke toekomst, maar het gaat ook terug tot alle tijden in vele steden. Amsterdam, dat weet u, heeft al sinds de middeleeuwen te maken met nieuw aantredende culturen.

Ik ben ruim dertig jaar in Nederland en over nóg eens dertig jaar zitten hier, in deze zaal, mijn kleinkinderen, als deel van het 'gearriveerde' volksdeel, te luisteren naar een nieuwe buitenstaander die het cultuur-bastion op zijn grenzen aanspreekt.

Toen ik nog maar net in Nederland was, vers uit de 'kolonie', op de Pedagogische Academie te Utrecht, scoorde ik in al mijn onschuld een acht voor Vondels' Lucifer. Bij een docent Drama wiens hoogste cijfer een zes-komma-drie was.

Ik was, temidden van mijn witte medestudenten, de enige die dat oud-vaderlandse stuk met voldoende gevoel en begrip kon interpreteren althans volgens de leraar.

Klaarblijkelijk had ik, tussen mijn rokken, voldoende duivels van thuis meegenomen om ook de Lucifer van Vondel aan te kunnen.

Hieruit blijkt dat er genoeg goden, duivels, mythen, symbolen en betekenissen zijn die verre reizen maken. Van Afrika naar Griekenland, naar de Arabische wereld.. zelfs naar Suriname, zelfs naar Nederland.

Er zijn echter ook veel mensen voor wie cultuur iets is dat gaat over dode mannen uit een ver verleden.

Vondel, Rembrandt het is hun ding niet. Ze zijn ergens anders mee bezig.

Door hun ogen bezien is cultuur een soort hoofdpijn van de overheid die daar subsidies voor geeft. Een overheid die zich in de exclusieve rol van hoeder en bewaarder van elitaire en historische fijnzinnigheden heeft laten manoeuvreren.

Willen we dat er over dertig jaar nog mensen zijn die de grote kunstenaars uit het verleden herkennen en verdedigen, dan moet het niet alleen de overheid zijn die zich daarover het hoofd breekt, dan moeten àlle Amsterdammers zich mede-eigenaar van die cultuur voelen. En dat kan alleen als hun ding ook een serieuze plaats in die cultuur krijgt.

Het is als de opeenvolging van generaties: een respectvolle nagedachtenis aan je grootouders krijg je alleen als je zelf ook een duidelijke rol in de familie hebt. De cultuur-opa's raken in het vergeetboek wanneer de kleinkinderen als onmondige nieuwkomers aan de kant blijven staan.

Laat ik dus op zoek gaan naar dat wat de duivels en goden van toen met de werkelijkheid van nú verbindt.

Vorig jaar luidde het aan Italo Calvino ontleende motto van de Europese culturele hoofdstad 2001: 'Rotterdam is vele steden'. Ik ben eerlijk gezegd een beetje jaloers op dat motto. Want het geeft aan hoe een stad, óók Amsterdam, is opgebouwd. Namelijk uit sociaal-culturele verbanden. In een stad heb je eindeloos veel groepen mensen met allemaal hun eigen achtergrond. Ik zie het als een soort cirkels die elkaar soms raken en overlappen, en soms juist niet.

Ik wil hier wat beter met u kijken naar die cirkels, er is namelijk iets opmerkelijks mee.

Je kunt ze niet afgrenzen met strakke ondubbelzinnige lijnen.

Het zijn verzamelingen die in de wiskunde wel fuzzy sets worden genoemd: verzamelingen die naar buiten toe steeds minder scherp gedefinieerd kunnen worden. Zouden we ze grafisch in beeld willen brengen, dan moeten we dat dus niet met een viltstift doen, maar met de vegen van een brokkelig stuk houtskool.

In de kern van die cirkels zien we de waarden, normen, historische voorbeelden en verworvenheden van een gemeenschap of groep. Ik noem dit de kernwaarden. Gaan we verder naar buiten, dan zien we dat die waarden zich steeds meer vermengen met externe factoren: met de logica van de situatie, met de invloed van de markt, met de leefstijl, de mode.

Kortom met het leven van alledag.

Want: hoeveel respect we ook hebben voor de grote leerstukken, leefregels en voorbeelden van de cultuur waarin we zijn grootgebracht, wij gewone stervelingen, hebben óók behoefte aan onze eigen interpretaties.

We willen houvast hebben aan onze waarden, maar we willen ook speelruimte, korreltjes zout, nuances en invloeden van buitenaf.

Mijn stelling is, dat cultuur pas interessant wordt als je niet alleen naar de kernwaarden kijkt. Maar juist aandacht besteedt aan de wisselwerking tussen het midden en de buitenkant. En aan het grensverkeer tussen alle deelverzamelingen: het gearceerde gebied van de overlappende cirkels.

Een beetje zoals met de hoofddoekjes: sommige meiden dragen ze vanuit een religieuze achtergrond, andere meiden dragen ze omdat het mode is geworden.

Of zoals die Surinamers die opeens Rubens mooi gaan vinden terwijl ze eerst dachten: "Tjééé wat een lééélijke mensen"

In de wisselwerking waar ik het hier over heb, gaat het opeens niét meer over dode mannen en versteende instituties aan de ene kant en volksvermaak aan de andere kant; er blijken juist heel veel logische lijnen te zijn tussen de schijnbare uitersten.

Het gaat opeens niet meer over een kleine groep, zuiver in de leer, die zich een culturele voorhoede voelt. Het blijkt juist dat iedereen gelijktijdig aandeelhouder, producent en consument kan zijn.

Stedelijke cultuur, als je het zo bekijkt, is een gekrioel van beweging en grensverlegging. Het brokkelig stuk houtskool van daarnet lijkt wel van een merkwaardige levende materie te zijn.

Stedelijke cultuur, vanuit die invalshoek bekeken, is precies de dynamiek die een stad tot stad maakt.

Ik keer hier even terug naar het juryrapport van het Theaterfestival. U begrijpt, ik deel de zorg over het terugtrekken op veilige grenzen.

Het lijkt er op dat men overal in Europa klaarstaat om de grenzen eens even stevig aan te zetten. Om de cirkels met dikke zwarte viltstiften te trekken en om zich vervolgens bangelijk achter die grenzen te verschansen.

Ik zie nu al een hoop compartimenten in de samenleving, ik kom daar zo direct op terug, en ik vrees dat de hermetische grenzen die nu worden getrokken de samenleving van zijn dynamiek zullen beroven. Niet alleen in cultureel, ook in sociaal, economisch en ruimtelijk opzicht. Dynamiek komt van onderop, niet uit veilig omsloten bastions.

Ik pleit hier daarom voor het houtskool, de wisselwerkingen, de grensoverschrijdingen. Ik noem het interculturaliteit.

Dames en heren, ik ben, dat weet u, niet de eerste die het veelkleurige en veelvormige van de mensen en hun cultuur als politiek uitgangspunt neemt. Vooral Rick van der Ploeg heeft met grote vasthoudendheid de diversiteit, het bereik en het ondernemerschap in de cultuur aan de orde gesteld. Ook bij deze gelegenheid, in 1998 bij de opening van het Theaterfestival.

Sinds ik geboren werd, zo vertelde hij, zijn er in de grote steden zo'n honderd nieuwe culturen bijgekomen, maar ik citeer "het cultuurbeleid heeft daar nog geen antwoord op. Hoe raken de autochtone Nederlanders bij de cultuur van Surinamers, Turken, Marokkanen en Ghanezen betrokken? Hoe kunnen we anders verwachten dat allochtonen naar het veelal autochtone theater gaan?".

Dames en heren, ik zie heel goed in dat het erkennen en herkennen van diversiteit in de cultuur een ferme stap is geweest. Want daarvoor was er een situatie waarin, onder de noemer van 'allochtone cultuur' veel dingen over één kam werden geschoren. Het was een logische stap in de tijd, maar natuurlijk geen stap waarbij je verder stil kunt blijven staan.

Job Cohen, vorig jaar op deze plek, vroeg dan ook aandacht voor de betekenis van verschillende culturen, de onderlinge wrijvingen, de overgangen tussen culturen en hun alledaagse ervaringen, beelden en ideeën. En ook dat was een logische stap. Want volgens mij kun je veel zaken naast elkaar uitstallen, of het daarmee ook culturele uitwisselingen worden, is nog maar de vraag.

Alleen het tonen van diversiteit - als een afspiegeling van de samenleving - is dus niet voldoende want diversiteit scheidt en onderscheidt. Zelfs in een stad als Amsterdam, ik zei het al, zie ik een hoop verschotting: mensen en groepen mensen die voor eigen parochie preken. Op hun eigen plek, op hun eigen manier, vanuit hun eigen waarden, maar goed verscholen voor de rest van de wereld.

Wat er in mijn stad, Amsterdam, allemaal gebeurt op het terrein van kunst en cultuur is ongelooflijk; het is veel en veel meer dan zelfs een Uitmarkt en een Uitkrant kunnen omvatten. Alleen: veel van die activiteiten zitten achter fysieke en psychologische barrières; dat wil zeggen: barrières voor mensen die niet op voorhand tot de betreffende parochie behoren.

Het belang dat ik toeken aan de verwevenheid van culturen en het publieke karakter van de kunsten dwingt mij, als wethouder, tot het trekken van consequenties. Welke volgende stappen moet ik zetten?

Ik vind:

  • het kijken veranderen;
  • en het handelen.

Eerst het 'anders kijken'

Je kunt de cultuur van de stad niet gemakkelijk begrijpen als je alleen van boven naar beneden kijkt. Je ziet dan de grote getallen, de gedragspatronen en de verschuivingen, maar je ziet niet de drijfveren, gevoelens en doelstellingen van mensen. Culturele processen zijn immers ook processen van intuïtie en emotie:
de som van weten en voelen.

Cultuurbeleid begint dan ook met kijken van binnenuit en onderop, met het stellen van de goede vragen en het luisteren naar de uiteenlopende antwoorden.

Laat ik op één punt de gevolgen van een andere gezichtshoek verduidelijken: die van de veelbesproken publieksdeelname aan de kunsten. Kijk je vanuit de bestaande bastions, dan is de publieksdeelname beperkt tot een smal deel van de bevolking. Kijk je van onderop, dan is de publieksdeelname groter dan ooit.

Nooit waren er zoveel nieuwe Amsterdammers diemuziek, dans, en theater vanaf hun geboorte al meekregen (vaker met de moederborst dan met de Hollandse paplepel). Nooit eerder waren zóveel mensen in de weer met wegwerpcamera's, video, en photoshop. Met taal. Met leefomgeving, uiterlijk en kleding. Gaat u eens kijken in Zuidoost en in de Pijp.

Je kunt het op talloze plaatsen in de stad zien behalve in de musea en theaters.

Als die instellingen de verbinding tussen hun presentaties en de actuele vormen van cultuur niet kunnen leggen, dan kan dat het publiek in ieder geval niet worden aangewreven.

Dames en heren, ik wéét dat het kan, die andere manier van kijken.

Er zijn hier in Amsterdam van oudsher genoeg vrije geesten die zulke dingen kunnen zien, kunnen herkennen en in nieuwe kaders kunnen plaatsen. Ik daag u uit om zo te kijken, onbevangen en zonder zorgen over de grenzen.

En dan het handelen

Als we nú niets doenàch dan vergaat de wereld niet. Integendeel, de wereld gaat gewoon verder en laat ons achter in een vergeten reservaat.

Wat er de afgelopen jaren gebeurde op het terrein van cultuurpolitiek was nog betrekkelijk veilig.

Aandacht voor nieuwe benaderingen bracht nieuwe potjes op het vuur. Veilig dus voor de bestaande orde die zijn assortiment wat vergrootte en toch verder kon gaan met business-as-usual.

De hiervoor geschetste visie van een interculturele stad kàn en wíl ik niet realiseren met nieuwe potjes. Ik wil geen extraatjes bovenop het bestaande, ik wil dat het bestaande zich openstelt voor de realiteit. Ik noem hier vier aspecten van die realiteit.

- De realiteit is:

dat cultuur nog te veel gefilterd en geselecteerd wordt door een besloten kring. Dat er daarom méér mensen uit verschillende culturen en sociale klassen moeten komen die zich bezighouden met de vragen:

  • wàt is kwaliteit?
  • voor wie is die kwaliteit herkenbaar?

De mensen in adviesraden, besturen en commissies: het moet een bont gezelschap zijn!

- De realiteit is:

dat bestaande indelingen niet meer kloppen. Dat het rigide onderscheid tussen amateurkunst en professionele kunst volstrekt achterhaald is. Dat subsidies die op die indelingen zijn gebouwd evenzeer zijn achterhaald. Dat een volgend Kunstenplan die indelingen moet herzien.

- De realiteit is:

dat er op talloze plaatsen in de stad mensen zijn die in het isolement van de eigen kring dingen doen die voor een veel groter publiek interessant kunnen zijn. Dat er daarom meer podiumruimte en ondersteunende deskundigheid moet komen om die mensen een kans te geven.

- De realiteit is ook:

dat je onderaan moet beginnen. Aandeelhoudersschap komt pas als je eerst van je ervaringen hebt geleerd hoe je over je eigen cirkel heen moet stappen. Cultuureducatie die zulke ervaringen teweegbrengt, is geen extraatje, maar een wezenlijk deel van de opvoeding en het onderwijs aan elk Amsterdams kind.

Er zijn dus structurele veranderingen van binnenuit nodig, en ondubbelzinnige keuzes. Ik weet dat dat moeilijk en pijnlijk is. Als ik straks hardnekkig aan uw broekspijpen hang, bedenkt u dan dat ik hier niet voor mijn parochie sta te preken, maar voor onze gezamenlijke toekomst, die van àlle culturen in Amsterdam, dus ook ú als kunstwereld en de Jordanezen die van operette houden. Ik doe het opdat we over dertig jaar nog van Vondel kunnen genieten, én van de 'Hollandse Nieuwe' toneelschrijvers én van alles wat er de komende jaren de kop opsteekt.

Dames en heren, ik heb u horen denken aan alle dingen die al gebeuren zoals ik ze hier voorstel. Ik heb daar met opzet geen woorden aan besteed. Ik kan u, de theaterwereld, moeilijk veren op uw hoed steken om ze u vervolgens te betwisten.

Maar ik wil wél eindigen met een oprecht compliment. Aan het theater, aan de Amsterdamse cultuur, aan alle Amsterdammers: ik voel me hier op veilig terrein, dáár waar je de grenzen ter discussie kunt stellen.

Ik reken op u en ik dank u voor uw aandacht.

-----